Thúle - Voorbeeldpagina's

Over de Ringen van macht en de Hobbits in Tolkiens 'In de ban van de Ring'

Publicatie - Thúle   Titel : Thúle
  Auteur : Munin Nederlander
  ISBN : 9789065560094
  Uitgever : Uitgeverij Schors V.O.F.
  Aantal Pagina's : 211
  Uitgegeven in : 1992
  Voorbeeldpagina's : Bekijk Voorbeeldpagina's
  Koop Exemplaar : Via Webshop

Colofon

Dit boek is uitgegeven onder auspiciën van de stichting Dichtdoor. De naam van de titel van dit boek is bij J.R.R. Tolkien het hoogelfse woord voor 'geest' en tevens de naam van tengwa (letter) 9, de th: thüle (soms súle).

T(h)ule is ook de naam van een mysterieplaats uit zowel de mysteriën van het Grote Westen, Tollan-Tule in Meso-Amerika, als die van het Kleine Westen, de Hybernische mysteriën, beide terugvoerend op één van de Atlantische orakels.
Als Súle komt het terug in Suleiman, de wijze koning Salomo. Illustraties: Munin Nederlander.

De illustratieschets van de omslag stelt het geometrisch patroon voor van het sommatief magische 37-hexagram {3 t/m 39}, C=l l l, met de hoogste getallen in cirkelopstelling in de buitenrand, in de ringvorm naar buiten geprojekteerd. Het geheel, waarin de feitelijke getallen zijn weggelaten, (zie daarvoor de blzn. 22 en 164) verbeeldt Saurons Ene Ring. ISBN 9065560092 NUGI 951/626

Copyrights © 1992 Uitgeverij De Ster - Breda Uit deze uitgave mag uitsluitend iets verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotocopie, microfilm, opnamen of op welke andere wijze ook, hetzij chemisch, electronisch of mechanisch, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Anypart ofthis book may only reproduced, storedin a retrieval system and/or transmitted in any form, by print, photoprint, recording or other means, either chemie, electronic or mechanic, with the written permission from the publisher.

Opmerkingen

Deze uitgave kwam tot stand met behulp van de volgende personen en instellingen:

Public relations
stichting Dichtdoor, Wim Leys.

Correctie
Hans van der Willigen.

Constructie van het sommatief magische 19-hexagram {1 t/m 19}, C=38
Peter Akkerman.

Constructie van het sommatief magische 37-hexagram {3 t/m 39}, C=l l l, met behulp van een computerprogramma
Jeroen Hellingman.

Constructie van het goed geordende (concentrische) sommatief magische 61-hexagram {6 t/m 66}, C=244, met behulp van een computerprogramma
Jan-Kees IJspeert.

Epiloog
Wim Leys. Aan alle bovengenoemde personen mijn oprechte dank. M.N.

Voorwoord

De dwerg Grijsglimlach

Deze publikatie wil een analyse geven van enkele aspecten van J.R.R.Tolkiens In de ban van de Ring (zie de Inleiding, blzn. 17 e.v.). Het moment van uitkomen ervan is ter gelegenheid van Tolkiens geboortedag, 3 januari 1992, juist honderd jaar geleden.

Allen die aan de totstandkoming ervan meewerkten, verdienen een woord van dank.

Met name dank ik Wim Leys voor de Epiloog. En Peter Akkerman, Jeroen Hellingman en Jan-Kees IJspeert voor de constructie van enkele zogeheten sommatief magische hexagrammen met elkaar opvolgende getallen, die ik voor deze publikatie nodig had.

Het door Peter Akkerman geconstrueerde sommatief magische 19-hexagram (19 regelmatige zeshoeken aaneensluitend gerangschikt in een grote regelmatige zeshoek, als was dit een stuk honingraat), dat de opeenvolgende getallen {1 t/m 19} gebruikt (waarbij in iedere zeshoek een ander getal staat), en wel zó geplaatst, dat iedere rij of strook een gelijke constante som C bezit, is in de wiskunde bekend, maar dit bleek niet gemakkelijk in één of andere publikatie te vinden.

Zoals gezegd, voor déze publikatie, met name om te komen tot een duiding van Saurons Ene Ring, het meest omstreden en machtigste attribuut uit Tolkiens In de ban van de Ring, en overigens óók voor andere publikaties, had ik (ook) grotere sommatief magische hexagrammen met elkaar opvolgende getallen nodig. Maar deze waren bij mijn weten in de wiskunde niet bekend.

Men leest over deze grotere hexagrammen in b.v. David Wells: Woordenboek van eigenaardige en merkwaardige getallen, Bert Bakker, Amsterdam 1987, blz. 103 (over het getal 19) en blz. 128 (over het getal 38): '...Er is slechts één manier waarop opeenvolgende getallen in een magische zeshoek (een sommatief magisch hexagram) kunnen worden geplaatst, dat wil zeggen: zodanig dat de sommen in alle drie de richtingen dezelfde is. Voor de getallen 1 t/m 19 kan dit, zoals oorspronkelijk door T. Vickers is ontdekt. De constante som C voor die zeshoek (dat sommatief magische hexagram {1 t/m 19}) is 38. Het is de enige in zijn soort en kent maar één oplossing....'

Dit is deels onjuist. Er bestaan wel degelijk grotere sommatief magische hexagrammen die opeenvolgende getallen gebruiken, zij het dat de daarvoor benodigde getallensets niet met het getal 1 beginnen en ze elk zeer vele oplossingen kennen (waaronder echter steeds maar enkele met bijzondere rekenkundige kenmerken).

Dit ontdekte ik bij het schrijven van het commentaar op de Kitesjlegende, met name om te komen tot een duiding van Kitesj' bouwmaten, ten behoeve van de aanstaande publikatie Kitesj als Utopie, het vervolg op Kitesj en de Russische Graallegenden, De Ster, Breda 1988. Het lukte mij noch anderen om formules te ontwikkelen waarmee die grotere sommatief magische hexagrammen konden worden geconstrueerd (wat, zoals bekend, moeiteloos lukt voor de constructie van b.v. sommatief magische vierkanten). Dit leidde er toe dat desgevraagd het één maat grotere sommatief magische hexagram dan het kleinste, het sommatief magische 37-hexagram (37 regelmatige zeshoeken gerangschikt in de vorm van een regelmatig zeshoekig stuk honingraat) ontwikkeld werd met behulp van een computerprogramma, geschreven door Jeroen Hellingman. Het gebruikt de elkaar opvolgende getallen {3 t/m 39} en het heeft als constante rijen-en strokensom C=111.

Dwergentocht

En het leidde er toe dat desgevraagd het twéé maten grotere sommatief magische hexagram dan het kleinste, het sommatief magische 61 -hexagram (61 regelmatige zeshoeken gerangschikt in de vorm van een regelmatig zeshoekig stuk honingraat) ontwikkeld werd met behulp van een computerprogramma, geschreven door Jan-Kees IJspeert.

Het gebruikt de opeenvolgende getallen {6 t/m 66} en het heeft als constante rijen-en strokensom C=244.

Beide hexagrammen zijn ook nog - elk op een eigen wijze - goed geordend, d.w.z. ze bezitten bijzondere rekenkundige kenmerken. Zo komt het dat, als Wells zich niet vergist, een totaal niet wiskundige publikatie over Tolkiens werk, rekenkundige novums bevat, zij het van een soort waar wellicht niet iedereen op zit te wachten.

Deze studie is gebaseerd op resultaten van wetenschappelijk en geesteswetenschappelijk onderzoek, die vaak voluit in de lopende tekst worden geciteerd, omdat ze doorgaans niet als bekend kunnen worden verondersteld.

Boven alles dank ik mijn eerste vrouw, Alja Wormgoor-Werz, die mij altijd trouw terzijde stond, en de goede geestelijke machten. Dit boek draag ik op aan allen die het betreft. Munin Nederlander, Kerstmis 1991. De oplossingen van het magische 37-hexagram (en van de grotere hexagrammen) zijn opgestuurd naar het wiskundig tijdschrift te New-York.

Inhoud

Atlantis (gedicht)

16

Inleiding

17

Citaten
1. Uit de Tylerlexikon over de Ringen van Macht en 2. uit de Inleiding van In de ban van de Ring over de hobbits.

23

1. What is in a name? Nomen est omen.
De getallen uit de laatste halve bladzijde van de Inleiding van In de ban van de Ring en de eerste twee bladzijden van het eerste hoofdstuk van dat boek. De betekenis van de naam Tolkien in het Duits, Nahuatl en Chinees. De betekenis van Tolkiens voornamen. Tolkien als de beschrijver van doldrieste moed en als de teller van jaren en vooral dagen.

35

2. Een samenvatting in vertaling van de legende
Vom weisen Salomon, dem König der Geister, volgens oosterse bronnen. Sinwel-Reihe der Feenmare 9, uitgegeven door Sergius Golo-win, Sinwel Verlag, Bern 8, 1964. De legende over de 70 Salomonen uit de tijd van vóór de schepping van Adam. Deze Salomonen als koningen van de Deva's. Opsomming van hun machtsattributen. Hun ultieme machtsattribuut: Een ring om te regeren. Over de laatste Salomo, de zoon van David, als een koning over zowel deva's als mensen. Zijn machtsring. Het collectief van de Salomonische ringen, later ook wel aangeduid als sleutels: 7, respectievelijk 9 stuks, + 1.

41

3. Apollo Mousagètes/Sauron-Oduarpa, heer van de Ringen/Ometeotl, heer van de Ring.
Over het oudste ringencollectief van de tijd na Adam. 1. De één-, drie-, zeven-, en negenvoudige mens. 2. Apollo en Jezus. 3. Apollo Mousagètes oftewel Apollo de muzenleider. 4. De ene muze, de drie, negen, en zeven muzen (en even zovele ringen). 5. Apollo Mousagètes/Sauron-Oduarpa, heer van de rin-gen/Ometeotl, Heer van de ring. 6. Schema. Sauron, getraceerd als Oduarpa en Sauron recidivis als Oduarpa recidivis aan de hand van A. Besants en GW. Leadbeaters De Mens, zijn Verleden, Wezen en Toekomst. Oduarpa's plagiëring der muzen: zijn ringen. De Meso-Amerikaanse God Ometeotl geïdentificeerd als heer van de ring en als meester van de negen heersers van de nacht.Schema van menselijke wezensdelen, muzen en ringen uit In de Ban van de Ring.>

47

4. Een verslag van wat er terecht kwam van Salomo's nalatenschap, uit verschillende bronnen.
De Salomonische ringen en de ringen van Sauron-Oduarpa. Rudolf Steiner over Salomo. Salomo's wezensdelen. Steiners Die Tempellegende unddie GoldeneLegende. De Salomonische ringen in de Middeleeuwen. Over Gondischapur als Perzische academiestad, waar gepoogd werd om Aristoteles' Categorieënleer te verbinden met de Salomonische ringen of sleutels. De toekomst der ringen of sleutels volgens C.G. Harrisons Thefourth Mystery, Birth and Death.

67

5. De Salomonische ringen en de kleinste negen sommatief magische vierkanten (I).
Rabbi Solomons publikatie De Sleutels van Salomo. Diens omschrijving van een ring of sleutel aan de hand van een viervoudig connectieschema, met als belangrijkste elementen een op een bepaalde wijze opgesteld sommatief magisch vierkant en diens geometrische patronen.Zo'n ring of sleutel als voorwerp ten dienste van ceremoniële magie. Omschrijving van een sommatief magisch vierkant. Opsomming van de kleinste negen sommatief magische vierkanten met opeenvolgende getallen en hun onderscheiden geometrische patronen: een geometrisch produktiepatroon, een geometrisch patroon en een geometrisch netpatroon, plus overige connectieelementen. De negen connectieschema's als de negen Salomo-nische ringen. En passant een citaat uit Het Evangelie van de Heilige Twaalven en een citaat van R. Steiner bij een tweevoudig geometrisch netpatroon. De set van negen Salomonische ringen vergeleken met de set van negen mensenringen uit In de ban van de Ring.

75

6. De Salomonische ringen en de kleinste negen sommatief magische vierkanten (II).
De zeven goed geordende en de drie goed geordende pandiagonale sommatief magische vierkanten met opeenvolgende getallen onder de kleinste negen 'gewone' sommatief magische vierkanten. Hun geometrische patronen. Hun opsomming in het raam van een viervoudig connectieschema. De aldus verkregen zeven en drie connectieschema's vereenzelvigd met de onbekende sets van zeven en drie Salomonische ringen. Deze zeven en drie Salomonische ringen vergeleken met de zeven dwergenrin-gen en drie elfenringen uit In de ban van de Ring. Schema waarin de 1+3 + 7 + 9 menselijke wezens delen, de 1+3 + 7 + 9 muzen, de 1+3 + 7 + 9 ringen uit In de ban van de Ring en de 1 + 3 + 7 + 9 Salomonische ringen aan elkaar worden gerelateerd.

103

7. Sauron-Oduarpa's Ene Ring, De Salomonische Hoofdring en het goed geordende sommatief magische 37-hexagram {3 t/m/ 39} met de getallen 28 t/m 39 in cirkelopstelling in de buitenrand (I).
Saurons Ene Ring als plagiëring en verstoffelijking van de Ene muze Aoedé én als de plagiëring en verstoffelijking van Apollo. De Griekse Gnosis en de leer der metakubussen of hexagram-men volgens kerkvader Clementinus en volgens Th. Simcox Lea en F. Bligh Bond. Het 37-hexagram als Christus-hexagram. Het in de getallentheorie bekende sommatief magische 19-hexa-gram met de opeenvolgende getallen {1 t/m 19}. De grotere sommatief magische hexagrammen met opeenvolgende getallen: Allereerst het goedgeordende sommatief magische 37-hexagram {3 t/m 39}, het magisch gemaakte Christushexagram, en het goed geordende sommatief magische 61- hexagram {6 t/m 66}.Het sommatief magische 19-hexagram {1 t/m 19} als beeld van Bethesda. Het goed geordende sommatief magische 61-hexagram, {6 t/m 66} als beeld van de zich van het kwaad bekerende Lucifergeest.

123

8. Sauron-Oduarpa's Ene Ring, de Salomonische Hoofdring en het goed geordende sommatief magische 37-hexagram {3 t/m/39} met de getallen 28 t/m 39 in cirkelopstelling in de buitenrand (II).
Het goed geordende sommatief magische 37-hexagram {3 t/m 39} wijst als Christushexagram naar ApoUo/Jezus en dus ook naar Saurons Ene Ring (en Salomo's Hoofdring). Analyse van dat hexagram. Zijn patroon, het beeld van de goede en de kwade machten, verschilt van het patroon van de Salomonische Hoofdring. De goedgeordendheid van het hexagram als beeld van de 1+3 + 7 + 9 ringen uit In de Ban van de Ring. De magische waarden van dat hexagram vormen de belangrijkste getallen uit de eerste bladzijden van dat boek, getallen die de hobbits betreffen. Ook dit voert naar Saurons Ene Ring, daar hobbits die behoeden. Genoemd hexagram en zijn geometrisch patroon gesteld in een viervoudig connectieschema. Dat schema als Saurons Ene Ring en Salomo's Hoofdring, zij het dat deze gelijkstelling complex is door het verschil van genoemd patroon en het patroon van Salomo's Hoofdring. Saurons Ene Ring oftewel Salomo's Hoofdring hersmeed. Een toekomstige occulte techniek, occulte medica en occulte eugenetiek.

143

9. Saurons-Oduarpa's Ene Ring en het wezen van de zwarte magie.
Vroegere kritiek op Tolkiens werk: Een jongenswereld zonder vrouwen. Een citaat van R. Steiner over zwarte magie. Zwarte magie als misvormde erotiek en sado-masochisme. Over de gevolgen daarvan voor de lagere natuurrijken die tot een soort maanlandschap degenereren. Citaten uit Tolkiens werk over zulke landschappen, waarvan men nog proeft hoe ze ontstonden. Gollem en de Ene Ring als ultiem zwartmagisch amulet.

167

10. Over de hiërarchieladder van wezens in Tolkiens In de ban van de Ring en De Silmarillion, in het bijzonder over de plaats van de hobbits daarin.
Het verschil tussen enerzijds Boombaards lijst van vrije wezens en anderzijds een hiërarchieladder en devarassenschema. De zeven planeetwerelden van Saturnus tot en met Vulcanus. De hiërarchieladder en het devarassenschema volgens de Geesteswetenschap. Bij naam genoemde leiders der hiërarchieën en deva-rassen. Aarderondten en -bollen en wortelrastijdperken. Een hiërarchieladder en devarassenschema aan de hand van De Silmarillion en In de ban van de Ring. Bij naam genoemde leiders der hiërarchieën en devarassen bij Tolkien. Beide ladders en schema's met elkaar vergeleken. Optreden van het drievoudig Boze.De huidige menselijke en vooral ondermenselijke hiërarchie in de Geesteswetenschap en bij Tolkien. Ademgnomen en hobbits. Beide aan elkaar gelijkgesteld. Hun leiders en hoe zij leider werden. Conclusies.

175

11. Epiloog van Wim Leys.

199

12. Aantekeningen, noten en referenties.

207

ATLANTIS

Wat willen zij bereiken
de Elf, de Dwerg, de Vorst?
Onder leiding van een Wijze,
met een Prins die hen zocht
ten eigen bate, reizen
zij met vier gnomen door krochten
vol vlammen en vlijmende
gangen, langs afgrond
en wateren, koud en verlaten,
naar het Rijk van de Onderaarde. Wat willen zij bereiken?
Waar gaat het hen om?
De minste van hen torst,
omdat hij gering is, hoofdzakelijk
gering in het kwade,
op veler verzoek een merkwaardig
kleinood op de borst,
dat geen Machtige ooit
dorst te dragen, daar 't hem
zou verraden, de Zon van de Dood. De Raad van de Wijzen
besloot indertijd om
het ding dat hen toeviel
door 't lot en de loop
van het Boze voor altijd
teniet te doen in de
donkere kloof van zijn smid en
men zegt dat 't verdween
op de plaats waar het
eertijds verscheen. M.N.

Inleiding

De twee voor de hand liggende vragen die naar aanleiding van Tolkiens oeuvre, met name 'In de ban van de Ring' gesteld kunnen worden, zijn ongetwijfeld:

  1. Wat zijn nu precies de ringen van macht, met name wat is Saurons Ene Hoofdring? Zouden die ringen in deze tijd kunnen worden gereconstrueerd?
  2. Wie en wat zijn de hobbits, naast alle andere wel en niet menselijke rassen die Middenaarde bevolken?

Hoewel over Tolkiens publikaties al buitengewoon veel is geschreven, zijn niettemin op deze vragen geen bevredigende antwoorden gekomen. In ieder geval niet in de zin dat er aanwijzingen uit zijn voortgevloeid om bijvoorbeeld over te gaan tot een reconstructie van de ringen van macht, al was het dan voorlopig nog maar in theorie; Of om bijvoorbeeld de hobbits in te kaderen in een hiërarchie van geestelijke wezens, zoals die wordt gegeven door Dionysios de Pseudo-Areopagiet (The mystical Theology and the celestial Hierar-chies, The Shrine of Wisdom, 1965), H.P. Blavatsky (De Geheime Leer) en Rudolf Steiner {Wetenschap van de geheimen der ziel). Het gebrek aan houtsnijdende antwoorden op beide vragen komt mede doordat Tolkien van de hem voorgelegde duidingen van met name de machtsringen niet onder de indruk was. Wat hij aan verklaringen onder ogen kreeg vond hij te allegorisch of te zeer inlegkunde. Hier een fragment van zo'n verklaring en een deel van Tolkiens reaktie daarop. We citeren uit de Tolkien-Brieven, samengesteld door H. Carpen ter & Chr. Tolkien. Uit een brief aan Allen & Unwin (229), 23 febr. 1961, blz.385: '...(Dr.Ohlmark:) De ring is in zeker opzicht 'der Nibelungen-Ring', die oorspronkelijk werd gesmeed door Volund de meester-smid, en toen via Vittka-Andvare door de handen van de machtige asen in het bezit van Hreidmar en de draak kwam; na de val van de draak bij Sigurd de drakendoder terechtkwam; nadat die door verraderlijke samenzweerders was vermoord bij de Bourgondiërs belandde; na hun dood in Atle's slangenkuil op de Hunnen overging; toen op de zonen van Jonaker; toen op de Gothische tiran Ermaurik, enz.' '... (Tolkien:) Beide ringen waren rond, en daar houdt de overeenkomst mee op...

De hemel zij dank voor het enz. Ik begon al te vrezen dat hij in mijn zak zou opduiken. Dr. O denkt blijkbaar dat hij hem in zijn zak heeft. Maar wat heeft dit alles voor zin? Zij die iets afweten van de Oudnoorse kant van de 'Nibelungen'-overleveringen - die voornamelijke worden genoemd omdat de gebruikte naamvormen Oudnoors zijn - (door Ohlmark in zijn schrijven M.N.) zullen dit een onzinnige mengelmoes vinden...' Het is duidelijk dat in dit soort duidingen Tolkiens machtsringen enkel en alleen worden vergeleken met één of meer ringen uit andere verhalen, wat te zeer op inlegkunde berust.

Of er zijn duidingen van de ringen, zo algemeen, bijvoorbeeld in de trant van vergelijkingen met al het ronde in de kosmos, - de ringvormige slang Ouroubouros, de ring van het planetenstelsel, de ring van Saturnus, de ring van de regenboog enz., dat ze te zeer een allegorie zijn.

In dit werk zal niet geheel en al, maar wel voornamelijk worden getracht om, op basis van de geesteswetenschap, Tolkiens machts-ringen te duiden, tot aan het punt van een mogelijke reconstructie, als werkelijk bestaan hebbende amuletten. Dit zal gebeuren in de kontekst van het verhaal In de ban van de Ring zelf.

In de kontekst van dat verhaalzelf ook zal de inkadering van de hobbits in de bestaande hiërarchieladder(s) plaats vinden. Hierbij wordt aangetoond en er wordt vervolgens ook van uitgegaan dat In de ban van de Ring tamelijk letterlijk een stuk geschiedenis beschrijft van het tweede deel van de zogenaamde Atlantische era's ( het Atlantische wortelrastijdperk). Dit zal geschieden aan de hand van de geesteswetenschappelijke verklaringen van de Griekse mythen over Apollo, in relatie tot enkele paragrafen uit A. Besants en GW. Leadbeaters' De Mens, zijn Afkomst, Wezen en Toekomst, Minerva, Batavia, vóór 1933, waarin een stuk geschiedenis van Atlantis wordt beschreven, op basis van helderziende onderzoekingen, die sterk doen denken aan fragmenten van en elementen uit Tolkiens hoofdwerk. Tolkien heeft van deze en soortgelijke publikaties, zoals bekend is, niets geweten: zijn kontakten met de Theosofie, de Antroposofie en de Vrijmetselarij van The Golden Dawn zijn omstreden en hij ontkende invloed uit deze en dergelijke stromingen in de zin van bijvoorbeeld lezingbezoek en gedachtenuitwisseling*. Iets anders is echter dat de fantasie van een schrijver exakt kan zijn; dat hij niet slechts beschikt over fantasie, maar ook over zogenaamde exakte fantasie, fantasie die de waarheid, de werkelijkheid beschrijft*.

*

Zie de Epiloog

In de geesteswetenschap wordt exakte fantasie aangemerkt als de laatste en onbewust ondergane vorm van een eertijds sterke, maar sinds vele millennia steeds zwakker wordende, niet door het Ik van de mens gecontroleerde helderziendheid (die niet moet worden verward met de bewuste, door scholing verkregen, geheel door het Ik gecontroleerde helderziendheid van de toekomst).

Deze exakte fantasie is te beïnvloeden door impulsen uit het dodenrijk en vooral ook door de magische impulsen die uitgaan van de rituele praktijken van loges van uiteenlopen magisch karakter: de verschillende vrijmetselaarsloges (de loges van de Johannesgraden en de loges van de Kapittelgraden, waaronder een loge van Atlantis), de verschillende theosofische loges, het instituut van het Jezuïtendom enz. Ook Tolkien erkende de mogelijke exaktheid in de menselijke fantasie en de beïnvloeding daarvan.

We citeren weer uit de Tolkien-Brieven, eerst twee fragmenten uit een brief aan Milton Waldman (131), niet gedateerd, blzn. 185 en 182: '...Deze (mijn) verhalen zijn nieuw: ze zijn niet rechtstreeks aan andere mythen en legenden ontleend, maar ze moeten onvermijdelijk een grote mate van oude, wijdverbreide motieven en elementen bevatten. Per slot van rekening geloof ik dat legenden en mythen grotendeels van waarheid zijn gemaakt...en dat... bepaalde waarheden...altijd weer opnieuw moeten verschijnen'. '...de verhalen. Die ontstonden in mijn geest als gegeven dingen... en altijd had ik het gevoel dat ik iets aan het optekenen was dat er al was, niet iets dat ik aan het verzinnen was...' Voorts uit genoemd boek een fragment uit een brief aan Chr. Tolkien (91), November 1944, blz. 133: '...Het {In de ban van de Ring) zal waarschijnlijk heel sterk van deze (hier beschreven) opzet verschillen wanneer het echt geschreven wordt, omdat het verhaal zichzelf schijnt te schrijven, wanneer ik eenmaal op gang ben, alsof de waarheid er dan uitkomt, die slechts kort en gebrekkig is gezien in de voorbereidende schetsen...' Tenslotte een fragment uit dat boek uit een brief aan Carole Batten-Phelps (328), Herfst 1971, blzn. 318/319: '...Een paar jaar geleden kreeg ik in Oxford bezoek van een man wiens naam ik vergeten ben (hoewel ik geloof dat hij erg bekend was). Hij was zeer getroffen door de vreemde manier waarop vele oude schilderijen, naaar het hem toescheen, bedoeld leken om In de ban van de Ring te illustreren, lang voor zijn tijd. Hij had een paar reprodukties meegebracht. Ik denk dat hij er aanvankelijk eenvoudigweg achter wilde komen of mijn verbeelding door schilderijen was gevoed, zoals dat duidelijk door bepaalde soorten literatuur en taal was gebeurd. Toen het duidelijk werd dat ik, tenzij ik een leugenaar was, de schilderijen nooit eerder had gezien en niet erg goed op de hoogte was met beeldende kunst, zweeg hij. Ik werd me bewust dat hij mij strak aankeek, Plotseling zei hij:

Maar U denkt toch natuurlijk niet, wel, dat U zelf dat hele boek hebt geschreven?

Puur Gandalf! Ik kende Gandalf te goed om mij overhaast bloot te geven, of te vragen wat hij bedoelde. Ik denk dat ik zei: Nee, ik denk dat niet langer. Sindsdien heb ik dat nooit meer kunnen denken. Een verontrustende conclusie voor een oude filoloog als hij die over zijn privégenoegen trekt...'

'...Natuurlijk behoort De Ban niet aan mij toe. Het is voortgebracht en moet nu zijn vastgestelde weg in de wereld gaan, hoewel ik natuurlijk sterk geïnteresseerd ben in zijn lot, zoals een ouder dat van zijn kind is.

Ik ben getroost door de wetenschap dat het goede vrienden heeft die het tegen de boosaardigheid van zijn vijanden zullen verdedigen. (Maar alle dwazen zitten niet in het andere kamp)...'

Tot zover de citaten. Voor we overgaan tot het beantwoorden van de twee in het begin van deze Inleiding gestelde vragen in de zin als beschreven, volgen, voor de goede orde en om het geheugen op te frissen, eerst J.E.A. Tylers aantekeningen over de machtringen en enkele aantekeningen uit Tolkiens hobbitkunde.Hoofdstuk 10.

Over de hiërachieladder van wezens in Tolkiens In de ban van de Ring en de Silmarillion, in het bijzonder over de plaats van de hobbits daarin. Introductie (als rituele opening van het hoofdstuk).

'... Toen ontwaakte Bilbo en opende de ogen. Hallo, Frodo zei hij. Nu denk ik dat ik helemaal klaar ben om nog één reis te aanvaarden. Ga je ook mee? Ja, ik ga mee, zei Frodo. De dragers van de Ring moeten samen gaan. Waar gaat U heen, Meester? riep Sam uit, hoewel hij eindelijk begreep wat er gebeurde. Naar de Havens, Sam, zei Frodo. En ik kan niet mee? Nee, Sam. Nog niet in elk geval, niet verder dan de Havens. Hoewel jij ook een drager van de Ring bent geweest, al was het maar even. Jouw tijd komt nog... Kom nu en rijd met me mee naar de Havens. En met hen gingen Elrond en Galadriel, want de Derde Era en de dagen van de Ring waren voorbij; en met hen gingen vele Elfen van het Hoge Geslacht die niet langer in Midden-Aarde wilden blijven; en deze schepten er groot behagen in hen eer te bewijzen. En zo reden zij tenslotte naar Mithlond, naar de Grijze Havens in de lange inham van Lune. Toen leidde Cirdan hen naar de Havens en daar lag een wit schip en op de kade stond een gestalte, helemaal in het wit gekleed, op hen te wachten. Toen hij zich omkeerde en op hen toekwam zag Frodo dat het Gandalf was; en aan zijn hand droeg hij de Derde Ring, Narya de Grote, en de steen erin was rood als vuur... En terwijl zij daar stonden en Gandalf en de Elfen aan boord gingen en alles voor het vertrek gereed werd gemaakt kwamen Merijn en Pepijn haastig aanrijden... Toen kuste Frodo Merijn en Pepijn en als laatste Sam en ging (met Bilbo) aan boord; en de zeilen werden gehesen en de wind blies en langzaam gleed het schip weg langs de grijze riviermond... En het schip kwam buitengaats in volle zee en verdween verder naar het Westen totdat tenslotte, op een regennacht, Frodo een zoete geur in de lucht rook en het geluid van zingen hoorde dat over het water kwam. En toen scheen het hem toe dat, evenals in zijn droom in het huis van Bombadil, het grijze regengordijn helemaal van zilver-glas werd en werd opgetrokken, en hij zag witte stranden en daarachter een ver groen land onder een snelle zonsopgang.... Tenslotte wendden Sam, Pepijn en Merijn zich aan de havens om en zonder één keer om te kijken reden zij langzaam huiswaarts...' Slot In de ban van de Ring

De in de aanhef van dit hoofdstuk bedoelde hiërarchieladder moet niet worden vereenzelvigd met andersoortige opsommingen van wezens in genoemde werken, bijvoorbeeld Boombaards lijst van Midden-Aarde's vrije wezens. Op die lijst komen de Elfen en de Mensen wel voor, maar niet geleed in subgroepen, de Valar (en Eru) komen er in het geheel niet op voor, de dwergen en de enten wel, hoewel die juist geledingen vormen van een buiten een hiërarchieladder staande deva-evolutie, deels niet door Eru geschapen. En ook de hobbits komen er aanvankelijk niet op voor: Die lijst meldt slechts de vrije wezens voorzover Boombaard die kent en begrijpt.
Hier zal worden getracht om vrijwel alle voorkomende wezens in Tolkiens hoofdwerken, of in een hiërarchieladder te plaatsen, gelijk aan de hiërarchieladder die werd geïntroduceerd door Dio-nysios de Pseudo-Areopagiet, H.P. Blavatsky en R. Steiner, een ladder van wezens, die ooit mens waren, mens zijn of mens zullen zijn, - of in het direct volgende schema van groepen wezens die de deva-evolutie volgen; de evolutie van het natuuronderhoud (zie de 'Oriëntalische Salomonsagen'). Deze deva-evolutie bestaat uit:

1.

De zogenaamde elementenwezens als kabouterelfjes, sylphen, en vooral dwergen.

2.

De zogenaamde geesten van de omlooptijden, bijvoorbeeld Tolkiens Tom Bomhadil.

3.

Allerlei soorten groepsgeesten van dieren en planten, waarvan Tolkiens draken (groepsgeesten van 's wereld vroegere reuzenreptielen) en de enten voorbeelden zijn. Ons trachten dient een tweevoudig doel:

 

a)

Te tonen hoezeer in het kader van de exakte fantasie Tolkien zich onbewust hield aan de occulte feiten over hoe de verschillende levensgolven in de Aardekosmos zich ten opzichte van elkaar verhouden en

 

b)

de hobbits in dat kader te traceren als de mensheid die onze mensheid opvolgt op een nieuwe Aardeplaneet na de huidige (doorgaans de toekomstige Jupiterwereld genoemd) als wij de zogeheten engelstatus, - Tolkiens elfenstatus - zullen hebben bereikt. In alle esoterische tradities wordt betoogd dat onze Aardewereld niet op zichzelf staat. Er waren planeetwerelden die aan onze Aarde voorafgingen, en er zullen planeetwerelden zijn die onze Aarde zullen opvolgen. Er worden zes met de Aardeplaneet samenhangende planeetwerelden onderscheiden, veelal onder namen van de ons bekende planeten, waar ze echter weinig of niets mee hebben te maken:

     
 

1.

De oude Saturnuswereld, de eerste incarnatie van de Aarde,

 

2.

De oude Zonnewereld, de tweede incarnatie van de Aarde,

 

3.

De oude Maanwereld, de derde incarnatie van de Aarde,

 

4.

De huidige Aardewereld, de momentele incarnatie van de Aarde,

 

5.

De toekomstige Jupiterwereld, de eerste toekomstige incarnatie van de Aarde,

 

6.

De toekomstige Venuswereld, de tweede toekomstige incarna tie van de Aarde,

 

7.

De toekomstige Vulcanuswereld, de derde toekomstige incarnatie van de Aarde.

Op al deze planeetwerelden leefden, leven en zullen leven bepaalde hiërarchische levensgolven; levensgolven die door een mensheids-fase heentrekken, en bepaalde natuuronderhoudende levensgolven van de deva-evolutie (alsmede de 'afvalprodukten' van die evoluties die de feitelijke natuur vormen. Voor de aardeplaneet zijn dat: stenen, planten, dieren. Zij zullen zich ooit oplossen).
Al die levensgolven klimmen in bewustzijn, vermogen en rang op bij het verstrijken der werelden.

Zo waren bijvoorbeeld de mensen van de oude Saturnuswereld op de oude Zonnewereld Engelen (één rang hoger dan de mens), op de oude Maanwereld waren zij Aartsengelen (twéé rangen hoger dan de mens), op de huidige Aardewereld zijn zij Archai, tijdgeesten (drie rangen hoger dan de mens). Op de toekomstige Jupiterwereld zullen zij Exusiai zijn, geesten van de Vorm, de laagste categorie Scheppende Goden of Elohim (vier rangen hoger dan de mens).

Zo zijn bijvoorbeeld de mensen van de oude Maanwereld op de huidige Aardewereld Engelen enz. Over de hiërarchische levensgolven hoger in ontwikkeling dan de huidige mens is veel bekend. Men kan daarover uitgebreid lezen in H.P. Blavatsky's De Geheime Leer en in Rudolf Steiners hoofdwerk Wetenschap van de Geheimen der Ziel. Over de deva-evolutie is minder bekend, maar men kan er toch heel wat over lezen in bijvoorbeeld dr. Ernst Hagemanns Weltenether - Elementarwesen - Naturreiche, Die Kommenden, Freiburg i.Br. 1973, en in allerlei sprookjes (Die Oriëntalische Salomonsagen!).

Maar over de hiërarchische levensgolf (levensgolven) in ontwikkeling lager dan de mens, de levensgolf (levensgolven) die onze mensheid zal (zullen) opvolgen, is vrijwel niets bekend. Men kan er bij mijn weten slechts over lezen in hoofdstuk 7 van Steiners lezingencycli Kunst im Licht der Mysteriënweisheit, Dornach, G.A. 275 en in 'Die Sending Michael'. We komen hierover nog te spreken. In genoemde werken en ook bij Dionysios, de pseudo-Areopagiet, is sprake van vier subgelede hiërarchieën naast de deva-evolutie:

I.

De in de ene Algod* opgegane Scheppende Hiërarchieën:

 

1.

De Serafs of de geesten van de Alliefde.

 

2.

De Cherubs of de geesten van de Harmonie.

 

3.

De Tronen of de geesten van de Wil. God en deze hiërarchieën zijn één. Ze bestaan niet naast elkaar, maar in elkaar.

II.

De nog niet in de Ene Algod opgegane Scheppende Hiërarchieën:

 

1.

De Kyriotetes of de geesten van de Wijsheid (4).

 

2.

De Dynamis of de geestes van de Beweging (5).

 

3.

De Exusiai of de geesten van de Vorm (6).

   

Door oorzaken waarop wij hier niet ingaan, manifesteerde zich in deze totaalhiërarchie het Kwaad, het Oerkwaad van Sorath, de geest van de zwarte magie. Om precies te zijn bij de Kyriotetes.

III.

De vertegenwoordigers van de Scheppende Hiërarchieën:

 

1.

De Archai of tijdgeesten (7).

 

2.

De Archangeloi of aartsengelen (8).

 

3.

De Angeloi of engelen (9).

   

In deze hiërarchie geleedde het Kwaad zich in tweeën , in Satanas-Ahriman en Diabolos-Lucifer. Ahriman, zoals we weten geïncorporeerd in Oduarpa, identificeerde zich als Exusiaigeest min of meer met Sorath. Lucifer incarneerde in de aartsengelhiërachie. Men spreekt over Lucifer dan ook als de 'Gevallen Aartsengel'.**

IV.

De menselijke hiërarchie, nog niet subgeleed *** (10)

V.

De daaropvolgende hiërarchie, waarover in hiërarchieverband nauwelijks iets bekend is, noch qua omschrijving, noch qua subgeleding. Ook de IVe en Ve hiërarchie zijn geïnfecteerd geraakt met het twee- respectievelijk drievoudig boze, - en in extreme mate zelfs.


*

Anderszins is dit de Drie-Ene God: Vader, Zoon en Heilige Geest.

**

Over de finesses m.b.t. deze kosmologische feiten zie E.Hagemann: Himmelskunde, Die Kommenden, Freiburg i.Br.)

***

De geheimere leringen van het Rozenkruis melden hier wel een subgeleding, zij het primair en zonder veel toelichting. Er zou sprake zijn van Stratosfeermensen, Aardemensen (wij) en Agartha of Tavitschimensen, mensen van de Onderaarde.

Dit laatste geldt evenzeer voor de deva-evolutie, - in elk geval voor zover die de Aardewereld betreft. Die (aarde) deva-evolutie is complexer dan de hiërarchische; de bekendste van haar wezens zijn reeds opgenoemd. Van deze zijn de dwergen en bepaalde groepsgeesten, met name die van bepaalde grote boomsoorten en die van de huisdieren, de bijen en de mieren, het bekendst. Vanaf en met de Aardewereld komen alle hiërarchieën en devaras-sen, maar vooral de menselijke en de pré-menselijke hiërarchie(ën) tot een hogere rang door zich uiteen te zetten met het Kwaad. De criteria voor rangverhoging der levensgolven op de oudere werelden doen hier niet ter zake. (Op de vroegere Maanwereld golden echter al enigszins de Aardse criteria).

Uiteraard bereikten en bereiken lang niet alle leden van de hiërarchieën en devarassen per planeetwereld hun doel. Aldus ontstonden en ontstaan tussenhiërarchieën en tussenrassen van uiteenlopende soort die soms (een tijd) op zich zelf blijven bestaan, maar veelal in een ander(e), doorgaans een lager(e) hiërarchie of ras werden en worden opgenomen.

Hiernaast bezitten alle hiërarchieën en devarassen hun voorlopers, hun leiders. Met betrekking tot onze mensheid kan men dan denken aan hen die in de esoterie worden genoemd: de Manoes, de Boeddha's en de Boddhisattva's; oftewel de Meesters van de rasveredeling, de Verlichte Meesters en de Meesters van Wijsheid. Zij zijn van oudsher verenigd in een zogeheten Witte Loge of Witte Raad. Genoemde voorlopers of leiders zijn soms de prototypen van de tussenhiërarchieën. Zo zijn veel van de oudere ingewijden van onze mensheid maar half mens. Ze dragen wezensdelen van leden van een hogere hiërarchie, wat vaak voorgesteld wordt alsof zo iemand een telg zou zijn uit een huwelijk van een menselijk en een bovenmenselijk wezen.* Er wordt gezegd dat de Gautama Boeddha de eerste echt menselijke Boeddha van onze mensheid is. Hier volgen voorbeeldsgewijs de namen van enkele leiders van enkele van de opgesomde (deel)hiërarchieën.

Een bij naam bekende Exusiaileider is Jahweh, de god die zo nadrukkelijk in de Pentateuch wordt genoemd. Een andere is El Gibor, nog een andere is El Tsabaoth. Er worden er zeven, soms acht genoemd.Bij naam bekende Archaileiders zijn bijvoorbeeld: Arathon, Phaleg, Hagith, Phul, Bethor, Och, Ophiël.

Bij naam bekende Archangeloileiders zijn bijvoorbeeld: Mi-chaël, Gabriël, Raphaël, Anaël, Oriphiël enzovoort, genoemd bij de bespreking van de Salomonische ringen en de kleinste somma-tief magische vierkanten met opeenvolgende getallen. Er zijn er uiteraard meer te noemen.

Metatron kan gelden als de naam van een leider van entiteiten tussen de Archangeloi- en Archairang in.Angeloileiders zijn bij naam minder bekend. De Germaanse God Widar kan als zo'n leider gelden. Bij naam bekende mensheidsleiders zijn: Mani, Christiaan Rozenkruis, de Boeddha Gautama, de Maitreia Boddhisatva, Skythianos, de twaalf apostelen rond Jezus Christus, waarvan één Christiaan Rozenkruis werd.

Ook zijn wel namen bekend van leiders (koningen) van devarassen. Een van de toonaangevendste dwergenkoningen wordt wel Ksti of Furlac genoemd. Verder zijn daar de Salomonen, eerder genoemd.

De taken van al die opgesomde leiders laten wij rusten. Die te beschrijven zou een boek apart vergen en de grondslag leggen voor de geheime schrifttekens van de Akasha kroniek. Het zou ook te maken hebben met een veel diepere analyse van de Salomonische ringen.

*

Ook Tolkien beschrijft de eerste Peredhils als zodanige telgen. Zie het vervolg van dit hoofdstuk.

Nog iets over de planetaire werelden. Elk van deze, dus ook onze Aardewereld, ontrolt zich in 7 zogenaamde rondten of bollen. In de eerste drie van die rondten of bollen, wordt die wereld door de devarassen opgebouwd, onder leiding van de scheppende hiërarchieën en de devakoningen (Salomonen).

In de middelste rondte of bol wordt hij door hen onderhouden, ten dienste van de ontplooiing en evolutie van de hiërarchieën die op hen volgen. In de laatste rondten of bollen wordt hij door hen afgebouwd, dat wil zeggen ontstoffelijkt.

Alle rondten/bollen van een planeetwereld zijn ook weer geleed, en wel in 7 tijdperken.

Voor de middelste Aarderondte/bol worden die tijdperken wortelrastijdperken genoemd. Heden leven wij in het vijfde wor-telrastijdperk van de vierde aarderondte/bol. (En overigens daarvan weer in de vijfde cultuurperiode, wat we laten rusten.) In zijn eerste rondten/bollen en anderszins in zijn eerste tijdperken herhaalt een planeetwereld de werelden die aan hem voorafgingen, in zijn latere rondten/bollen en tijdperken neemt hij een voorschot op de hem opvolgende. Voor de rondten/bollen is dit voornamelijk het geval met betrekking tot de deva-evolutie; voor de tijdperken is dit voornamelijk het geval met betrekking tot de hiërarchieën. De zeven wortelrastijdperken van onze vierde Aarderondte/bol, de kern van de Aardewereld, zijn:

1.

Het Polaire wortelrastijdperk, dat voor de hiërarchieën de oude Saturnuswereld herhaalt. Om bij onze voorbeelden van hiërarchische ontwikkeling te blijven: In dit tijdperk herhaalden de huidige Archai, onder aardse omstandigheden, hun mensheidsfase van Saturnus.

2.

Het Hyperboresche wortelrastijdperk, dat voor de hiërarchieën de oude Zonnewereld herhaalt. In dit tijdperk herhaalden die Archai, onder aardse omstandigheden, hun engelfase van de Zon.

3.

Het Lemurische wortelrastijdperk, dat voor de hiërarchieën de oude Maanwereld herhaalt. In dit tijdperk herhaalden de Archai, onder aardse omstandigheden hun aartsengelfase van de Maan. De huidige engelen herhaalden daarin hun lunaire mensheidsfase.

4.

Het Atlantische wortelrastijdperk, het feitelijke aardetijdperk van de Aardewereld. Hierin bereikten de Archai, de Archangeloi en de Angeloi (en ook de overige hiërarchieën) de rang waarvoor ze op Aarde waren bestemd. Ook de mens betrad overeenkomstig zijn voorbestemming juist in dit tijdperk de fysieke aardse natuur en werd mens. Hij werd als soort fysiek, zich in een fysiek wortelras openbarend. In de vorige aardetijdperken bestond hij als spirituele soort, als - nog niet menselijk - wortelras in 'ijlere sferen'. De aardetijdperken zijn vernoemd

naar de menselijke wortelrasontwikkeling en heten daarom wortelrastijdperken. Vanaf het Lemurische wortelrastijdperk deden zich op Aarde de invloeden van het kwaad in spirituele zin gelden, - en in dit vierde wortelrastijdperk ook in fysieke zin. Hierdoor werd met name de echte menswording en mensheidsontwikkeling van onze aardemensheid vertraagd en voor een deel verlegd naar het volgende, het huidige vijfde wortelrastijdperk. Atlantis is derhalve in de eerste plaats het tijdperk waarin de gehele IIIe hiërarchie, - Archai, Archangeloi en Angeloi - zijn ontwikkeling afrondde, voorzover die een zaak van rangbestemming was. De menselijke wortelrasontwikkeling viel in Atlantis uiteen in zeven elkaar overlappende rasontwikkelingen (waar onze huidige rassen van afstammen):

   
 

a) Die van de Rmoahals,
b) die van de Tlavatlis,
c) die van de Oertolteken,
d) die van de Oerturaniërs,
e) die van de Oersemieten,
f) die van de Akadiërs,
g) die van de Mongolen.

Hetgeen hier over het Atlantische wortelrastijdperk werd meegedeeld vond voornamelijk plaats en culmineerde in de elkaar in tijd vrijwel geheel overlappende rassen van de Oertolteken (die het goede nastreefden en pas in ons wortelrastijdperk, in Midden-Amerika, deels tot het kwaad vervielen) en de Oerturaniërs (die het kwaad dienden, - een kwaad dat zich in onze tijd nog lang uitdrukte in het Turaanse Sjamanisme van Noord-Azië).

In vele legenden, alle geesteswetenschappelijke stelsels en vooral in de detailstudie De Mens, zijn Afkomst, Wezen en Toekomst van A. Besant en C.W. Leadbeater, eerder genoemd, kan men vernemen van de spirituele en fysieke hoogconjunctuur van de Atlantische Tolteken die zich, in de schaduw van het doelbereiken van de derde hiërarchie, lieten leiden door bovenmenselijke en menselijke ingewijden (priester-koningen).

En daarin kan men ook vernemen van de zwarte magie van de Atlantische Turaniërs, die onder leiding van de zwarte Boeddha Oduarpa de Oertolteekse culturen belaagde, waardoor Atlantis in drie, qua tijd zeer ver uiteenliggende etappen, verzonk. Eén en ander kwam tamelijk uitgebreid aan de orde in Hoofdstuk 3.

Van een opsomming en korte omschrijving van het 5 e, 6e en 7e wortelrastijdperk van onze vierde Aarderondte/bol, en van de op de Aardeplaneet nog volgende planeetwerelden zien we hier af (ze doen voor ons onderwerp niet ter zake), behalve dat we nogmaals de eerstvolgende planeetwereld die op de Aardeplaneet volgt, de zogeheten Jupiterwereld, aanmerken als de wereld van een ons opvolgende mensheid, waarover we, zoals aangekondigd, nog komen te spreken. Hier zijn we op het punt aangekomen om de wezens in Tolkiens In de ban van de Ring en De Silmarillion te voegen in een hiërarchieladder en een deva-rassenschema, om dan na te gaan in hoeverre die ladder en dat schema identiek zijn met het hier aan de hand van de geesteswetenschap behandelde laddersysteem en schema.

Uit de Ainulindatë en de Valaquenta van De Silmarillion vernemen we dat er vanouds Eru-Illuvatar was, de Ene God en Alvader, en dat vooreerst uit hem voortkwamen de Ainur, de Heiligen.

Toen uit zijn muziekthema's en de muziekimprovisaties daarop van de laatstgenoemden de Aarde ontstond *, koos een deel van de Ainur ervoor om bij zijn Schepper te blijven.

Een ander deel koos ervoor om de Aarde te bewonen, te behoeden en te regeren. Dat deel geleedde zich in drieën.We krijgen aldus: De eerste hiërachie van wezens in Tolkiens werk (I):
Eru-Illuvatar en de Ainur die bij hem bleven. En vervolgens: De tweede hiërarchie van wezens (II): De Ainur die de Aarde als woonplaats verkozen:

1.

De Aratar, de machtigste Ainur.

2.

De Valar (later werden alle Aarde-ainur ook wel De Valar genoemd).

3.

De Maiar, Valar van mindere rang.

In deze totaalhiërarchie ontstond het kwaad. De grootste Aratar Melkor verhief zich in macht en werd Morgoth, de heer van het Oerkwaad, heer van de zwarte magie. Hij sleepte vele Maiar met zich mee, met name Sauron de Grote, die een tweede boze macht werd.
Uit de Quenta Silmarillion in De Silmarillion, vernemen we van twee de Ainur opvolgende driegelede hiërarchieën , die in Midden-Aarde ontwaakten, de Oudste en de Jongste Kinderen van Illuvatar, de Eldar of Elfen en de Edain of Mensen.

*

Vorige incarnaties van de Aarde behandelt Tolkien niet; zijn geschiedenis begint met de huidige Aarde. Zijn wezens verschijnen daarop 'in Aardeverband'.

De Elfen vormen in Tolkiens werk de derde hiërarchie van wezens (III):

1.

De Vanyar of Lichtelfen.

2.

De Noldor of Diepe Elfen.

3.

De Teleri of Trage Elfen die de Zee beminden.

Het kwaad infecteerde vooral de Noldor, met name hun grootste leider Feanor, die aldus een derde boze macht werd door in opstand te komen tegen de Valar.

De Mensen vormen in Tolkiens werk de vierde hiërarchie van wezens (IV):

1.

De Westmensen of Numenorean, aanvankelijk verdeeld in drie huizen of geslachten, door hun Stamvaders geleid.

2.

De Rohirrim of Paardemensen, de mensen van het Midden.

3.

De Oostmensen.

Het drievoudige kwaad infecteerde alle mensen en verdierf de Oostmensen totaal. Uit In de ban van de Ring vernemen we van een, de 'Oudste en Jongste Kinderen van Illuvatar' opvolgende driegelede hiërarchie, aanvankelijk geheel onopgemerkt ontwaakt en voortlevend in Midden-Aarde, de holbytlan of hobbits, de holenbouwers, ook wel halflingen genoemd. Ze waren 'half zo groot' en 'half zo belangrijk' als de mensen, waar ze in feite het meest op leken. Ze waren gering in aantal. (Zie de Aantekeningen over de hobbits in het begin van dit boek.) De hobbits vormen een vijfde driegelede hiërarchie van wezens in Tolkiens werk (V):

1.

De Vavels.

2.

De Stoerders.

3.

De Bruivels.

Verder komen bij Tolkien tussenhiërarchieën voor: Er was een geslacht ontstaan uit een verbinding tussen de Maiar en de Teleri, de Sindarkoningen; en er was een geslacht ontstaan uit een verbinding tussen de Noldor en de Numenorean en één tussen deze en de Sindarkoningen, de zogeheten Peredhil of Halfelfen.
Meer vanzelfsprekend vermengden zich bij Tolkien sommige subhiërarchieën, met name die van de Noldor en die van de Teleri; en die van de (latere) Numenorean en die van de Rohirrim.
Naar al werd meegedeeld voert Tolkien ook devarassen ten tonele.

1.

In de eerste plaats de Dwergen, als toonaangevendste elementenras, onderverdeeld in subrassen. Zij waren niet geschapen door EruTlluvatar,maar door de Aratar Aulë. Zo'n scheppingsfinesse is volgens de geesteswetenschap een kenmerk voor de meeste rassen van de deva-evolutie.

2.

Torn Bombadil, als voorbeeld en voornaamste vertegenwoordiger van de Geesten van de omlooptijden.

3.

De Enten en Draken, als voorbeelden van groepsgeesten, respectievelijk van de bomen en van 's werelds vroegere reuzenreptielen. Daarnaast kan Huan gelden als de groepsgeest van de honden, Beorn als de groepsgeest van de beren, Schaduwvacht als de groepsgeest van de paarden, enz.

Bepaalde rassen van wezens dienen in feite niet apart te worden vermeld: bijvoorbeeld de balrogs en de orks. Zij zijn geen nieuwe hiërarchieën of devarassen, maar bestaande, door het kwaad gecorrumpeerde.

Balrogs zijn verdorven Maiar, orks zijn verdorven Eldar. In de deva-evolutie gelden de trollen voor verdorven enten. Van alle hiërarchieën en devarassen noemt Tolkien de leiders bij name. De drie leidende Aratar waren: Melkor, de grootste Aratar, die, zoals gezegd, zich in macht verhief en Morgoth werd, de heer van het Kwaad; Manwë de opperste Aratar, de heer der Winden, broer van Melkor; en zijn vrouw Elbereth-Varda, de Vorstin van Licht. (Verder waren daar Ulmo, de heer der Wateren; Aulë, de heer der Aarde; zijn vrouw Yavanna, de Geefster van Vruchten; Mandos, de Bewaker van de Huizen der Doden; Oromë, de Grote Jager; en Nienna, de Vorstin van Mededogen.)

De voornaamste Valar waren: Vaire, de Weefster van de Tijd, echtgenote van Mandos; Irmo-Lóriën, heer van de Tuinen; zijn vrouw Estë, de Genezeres van wonden en moeheid; Tulkas, de sterkste Valar; zijn vrouw Nessa, Oromë's zuster; en Vána, de Altijd Jeugdige, Yavanna's zuster en vrouw van Oromë. De voornaamste Maiar waren: de Ishtari of Tovenaars, Gandalf de Grijze, Saruman de Witte en Radagast de Bruine, alsmede de twee blauwe Tovenaars, en verder Melian, die later de Elfenkoning Elwë (Thingol) Grijsmantel van de Teleri huwde en met hem de tussenhiërarchie der Sindarvorsten stichtte.

Velen van de Maiar volgden Melkor-Morgoth. Veruit de machtigste van deze was Sauron, die in de voetsporen van zijn meester trad. Andere machtige, door Melkor verstrikte en gecorrumpeerde Maiar waren de balrogs, zoals werd vermeld. Gaan we verder met de leiders van de derde en de vierde hiërarchie. De leider van de Vanyar was koning Ingwé. Hij gold als de hoogste van alle Elfen. Hij en zijn volk bereikten onverkort hun aardse evolutiedoel door vanuit Midden-Aarde, waaruit zij en alle andere elfen ontwaakten (zo ook de latere mensen en hobbits), naar Valinor te trekken, het land op aarde, waar de Valar woonden (na overigens ook een tijd in Midden-Aarde te hebben gewoond en gewerkt.) De belangrijkste leiders van de Noldor waren: Finwë, hun koning, zijn zoons Feanor (die de derde macht van het kwaad werd), Fingolfin en Finarfin, en hun belangrijkste nakomelingen in het eerste geslacht en de latere geslachten, Maedhros, Fingon, Turgon, Finrod Felagund, Celebrimbor Van Eregion, tesamen met Sauron de smeder van vele Ringen van Macht, Gilgalad, Idril Celebrindal ,die de mensenvorst Tuor huwde, waardoor zij medestamouders van de Peredhil werden, en Galadriel. De belangrijkste leiders van de Teleri waren: hun koningen Elwë (Thingol) en Olwë. Koning Elwë huwde, zoals gezegd, de Maiar Melian en uit hen ontstonden de Sindarvorsten. Hun enige kind was Luthiën Tinuviël. Zij huwde de mensenheer Beren Erchami-on, waardoor ook zij medestamouders van de Peredhil werden en het geslacht van de Eldarvorsten vrijwel direct in dat van de Peredhil overging. Eerdergenoemde Finarfin, Finrod en Galadriel waren zowel Noldor als Teleri. (Zie Tolkiens afstammingslijsten van de Eldarvorsten.) Een ander belangrijke Telerivorst was Cirdan van Lindon. De belangrijkste leiders van de aanvankelijke drie huizen of geslachten der Numenorean waren in de eerste plaats Béor de Oude, Hador van Dor-lo'min en Halmir van de Haladin en de Peredhilstamva-ders Beren Erchamion en Tuor, alsmede Belegund, Baragund, Huor, Hurin en Turin Turambar.

En als belangrijkste van allen de Peredhil Edrendil, de zoon van Idril Celebrindal en Tuor, die de Morgenster werd. Earendil huwde de Perdhilvrouwe Elwing. Hun zonen waren Elrond die later Rivendel bouwde, en Elros, de stamvader van de koningen der feitelijke Numenotezn. De Valar stelden de Peredhil voor de keuze om óf op te gaan in de Eldarhiërarchie, met alle voor-en nadelen van dien (een eeuwig leven, maar gebonden aan de kringen der Aarde), waardoor zij Peredhil bleven, óf op te gaan in de Mensheidshiërarchie, met alle voor-en nadelen van dien (een sterfelijk leven, maar na de dood vrij van de kringen der Aarde), waardoor zij Peredhil af waren.

Elrond koos ervoor om een Eldar te zijn; Elros koos ervoor om een mens te zijn. Hij en zijn nakomelingen, met name Elendil, Isildur, Anarion en ten lange leste Aragorn waren (naast de vorsten van Numenor) de belangrijkste leiders van de feitelijke (vroegere en latere) Numenorean. Aragorn huwde de dochter van Elrond, de Peredhilprinses Arwen Undomiel, die er voor koos een mens te zijn. De belangrijkste Peredhil waren Edrendil, Gilgaladen Elrondvan Rivendel. De laatste stichtte in Midden-Aarde met Galadriel en Cirdan, en de belangrijkste Ishtari, de 'Witte Raad'. Hij wordt door Tolkien genoemd: 'Een Meester van Wijsheid'. Hij was dus waarlijk een Atlantische Boddhisatva.

De belangrijkste leiders van de Rohirrim waren Eorl de Jonge, Helm Hamerhand, Théoden Ednew en Eómer Eddig. De belangrijkste leiders van de Oostmensen waren 'De Zwarte Numenorean', waaronder de 9 Ringgeesten.

Gaan we verder met de leiders op te sommen van de vijfde hiërarchie, de hobbits. Hun leiders waren, van zowel de Bruivels, Stoerders en Vavels, de Vavelhobbits Merijn Brandebok, Peregrijn Toek en vooral de ringdragers Bilbo en Frodo Balings en Sam Getvissies. We zien er vanaf de belangrijkste leiders van de Midden-Aardse devarassen op te sommen.

Het zal duidelijk zijn dat de hiërarchieën en devarassen zoals de geesteswetenschap die opsomt en zoals Tolkien ze introduceert, beiden worden gekenmerkt door het fenomeen der tussenhiërar-chieën en tussen-rassen en het bezit van toonaangevende, bij naam genoemde leiders. Hier volgt een schema waarin de twee 'soorten' hiërarchieën en devarassen tot in detail met elkaar worden vergeleken.

Lotsengel

Schema hiërarchie bovenmenselijke wezens in relatie tot Tolkien - Deel 1

Schema hiërarchie bovenmenselijke wezens in relatie tot Tolkien - Deel 2

Iedereen kan voor zichzelf nagaan dat vooral de hiërarchieladder van bovenmenselijke, menselijke en postmenselijke wezens, en in mindere mate het devarassenschema, beide opgesteld aan de hand van Tolkiens hoofdwerken, gelijkvormig is aan die ladder en dat schema uit de geesteswetenschap. Het zal duidelijk zijn hoezeer in het kader van de exakte fantasie Tolkien zich inderdaad onbewust hield aan de occulte feiten over hoe de verschillende levensgolven op aarde zich ten opzichte van elkaar verhouden. Overwegen we daarbij ten eerste dat, naar werd meegedeeld, de Archai, de Archangeloi en de Angeloi in 's wereld oudste wortel-rastijdperken, te weten:

1.

Het Polaire Wortelrastijdperk,

2.

Het Hyperboresche Wortelrastijdperk,

3.

Het Lemurische wortelrastijdperk,

onder aards beding de rangen herhaalden die ze op oudere werelden hadden verworven,(en in 4. Het Atlantische Wortelrastijdperk tot een hogere rang kwamen); en overwegen we daarbij ten tweede dat deze subhiërarchieën identiek zijn aan Tolkiens Vanyar, Noldor en Teleri, optredend in de eerste era's van Midden-Aarde, te weten:

1.

De Godzalige Era, de Nulde Era

2.

de Eerste Era

3.

de Tweede Era

(en in 4. de Derde Era naar Valinor teruggingen; zie Tolkiens appendici), dan kunnen we De Silmarillion goeddeels aanmerken als de geschiedenis van die herhalingsexercitie, waarbij voorts de respectievelijke tijdperken en era's aan elkaar gelijk zijn te stellen.

Hierbij moet worden opgemerkt dat De Silmarillion voor die geschiedenis dan allerlei finesses geeft, vooral met betrekking tot het Kwaad (bijvoorbeeld het uitdiepen van de Val van Lucifer als de Val van Feanor), die de geesteswetenschap niet meldt. Tolkien geeft met betrekking tot de hiërarchieladder van bovenmenselijke, menselijke en postmenselijke wezens, aan de hand van zijn werken opgesteld, ook op de behandelde punten van de drievoudige geleding van onze mensheid en de opkomst van een ons navolgende mensheid meer informatie dan de geesteswetenschap doet met betrekking tot 'zijn' hiërarchieladder. Nogmaals:

De geleding van de menselijke hiërarchie in drieën is bij hem zeer veel explicieter dan in de geesteswetenschap, en de beschrijving van haar oergeschiedenis is bij hem zeer veel uitgebreider dan in bijvoorbeeld de bijbelse Pentateuch (zoals die door de geesteswetenschap wordt verklaard.) Bovendien introduceert Tolkien een postmenselijke vijfde hiërarchie, ook reeds drievoudig geleed, plus daarvan de met naam genoemde leiders, plus het verhaal hoe die tot dat leiderschap kwamen (het verhaal van In de ban van de Ring), waar de geesteswetenschap over die hiërarchie weinig méér te zeggen heeft dan dat ze op de eerst volgende planeetwereld, de Jupiterwereld, de mensheid zal zijn, die onze mensheid opvolgt.

De gelijkvormigheid van beide genoemde hiërarchieladders doet erop vertrouwen dat Tolkiens uitweidingen over die vijfde hiërarchie kloppen, of, met andere woorden, datln de ban van de Ring een stuk exakte fantasie is, goeddeels handelend over die hiërarchie en over hoe zij haar leiders kreeg ten tijde van de derde era van Midden-Aarde oftewel 's werelds vierde wortelrastijdperk, - het Atlantische -. Zoals gezegd, in het kader van de geesteswetenschap beschrijft R. Steiner in Hoofdstuk 7 van zijn lezingencyclus Kunst im Lichte der Mysteriënweisheit, Dornach, G.A. 275, zeer summier een ons opvolgende mensheidshiërarchie, de mensheidshiërarchie van de toekomstige Jupiterplaneet. Hij voert die hiërarchie ten tonele als ijle prémenselijke wezens, levend in de adem van de huidige mensen van onze Aarde. Nú leven die toekomstige mensen dus in de adem van de huidige mensen. En beide mensensoorten zijn dus zeer met elkaar verbonden. In zekere zin zijn de huidige mensen de 'ouders' van de toekomstige - en soms, in bijzondere gevallen, kan men zich met hen, of één van hen, zeer verbonden voelen. (Tolkien vereenzelvigde zich waarschijnlijk met zo'n ademgnoom, aangezien hij soms zei zich welhaast een hobbit te voelen.)

Ook meldt Steiner in genoemde lezingencyclus dat wij, huidige mensen, in zekere zin de ademgnomen waren van de ons voorafgaande mensheidshiërarchie van de vroegere Maanwereld, de huidige Engelen. Hiermee in verband het volgende:

In De Geheime Leer van H.P. Blavatsky en in De Mens, zijn Afkomst, Wezen en Toekomstvan A. Besant en C.W. Leadbeater, al vele malen genoemd, kan men lezen hoe in het algemeen een mensheidshiërarchie haar leiders verwerft, en hoe in het bijzonder onze mensheid die verwierf op de vroegere Maanwereld.

Onze mensheidsleiders werden op die wereld uit hun toenmalige status geheven en door de hogere hiërarchieën tot vervroegd menszijn gevoerd, door ze vervroegd te stellen voor de criteria die ons heden mens maken: het zich uiteenzetten met het boze. Het ligt zeer voor de hand dat een dergelijke arbeid ook moet worden verricht en stellig al is verricht met berekking tot een ons opvolgende mensheid. Op basis hiervan en na al het terzake behandelde is het welhaast onbetwist zeker, dat Tolkien vanuit de exakte fantasie in In de ban van de Ring op de juiste wijze de hobbits heeft geïntroduceerd als een (uit de ademgnoomtoestand uitgeheven deel van de) ons opvolgende mensheid, waaruit de hoogste leiders van zo 'n toekomstige Jupitermensheid tot vervroegd menszijn werden gevoerd. En dit laatste, door die leiders in spé vervroegd te stellen voor de menswordingscriteria van die latere mensheid: Een voortgezette uiteenzetting met het boze, precies zoals beschreven in genoemd boek en zoals dat in deze studie wordt toegelicht en verklaard. Zoals bekend loopt die voortgezette uiteenzetting met het kwaad uit op de reis van die leiders, van dus de ringdragende hobbits Bilbo en Frodo Balings (en later ook Sam Gewissies), naar het zalige Valinor, - een reis die hen het Onvergankelijke Mensheidsego brengt.Ergo:

Zoals De Silmarillion moet worden gezien als een verslag uit de exakte fantasie van hoe de drievoudige derde hiërarchie hernieuwd tot haar waarde opklimt en tot een bovenmenselijke rang komt, -door een eerste aanraking met het Aardekwaad in 's werelds eerste wortelrastijdperken, zo kan In de ban van de Ring vanuit die fantasie worden aanveduid als het verslag van een vervroegde menswording van enkele leden van een mensheid in spé, - door een voortgezette uiteenzetting met dat Kwaad, aan het einde van het Atlantische wortelrastijdperk.

Uiteraard het een en ander in samenhang met het ontwaken en de vroegste uiteenzettingen met dat Kwaad van ónze mensheid. Munin Nederlander publiceerde in Prana van 2004 over Tolkiens hoofdwerk 'In de ban van de ring' en Peter Jacksons gelijknamige film een artikel.

[...] Einde voorbeeldpagina's [...]