Gea II - Voorbeeldpagina's
Noties van een unieke tweede aarde en haar mensheid, aan de keerzijde van onze melkweg
|
Bij vrijwel alle mensen leeft de vraag of in ons melkwegstelsel nóg één of meer bewoonde planeetwerelden zijn te vinden.
Waarbij dan met 'bewoond' bedoeld wordt: 'bewoond zoals de aarde wordt bewoond,'- bewoond dus door vier levensrijken, een
mineraal rijk, een plantaardig rijk, een dierlijk rijk en, met als kroon daarop, een menselijk rijk; en deze rijken
geopenbaard op de ons bekende en vertrouwde wijze: in aarde, water, lucht en warmte.
Esoterici stellen zich op het standpunt dat alle werelden, de planetaire- èn de stellaire-, bewoond zijn, maar dan
(vrijwel) uitzonderingsloos op een wijze ongelijkvormig aan de wijze waarop de aarde is bewoond, op een wijze dus die de
burgerman en ook menige astronoom 'onbewoond' zou noemen. Al die werelden zouden, volgens de esoterici, bewoond zijn op
slechts etherisch-astrale niveaus en/of er zou sprake zijn van een fysieke bewoning in een ander (drie-, resp.
vierdimensionaal) stof-ruimte-tijdverband als het onze, dat gerelateerd is aan voornoemde vier agregaten.
|
|
De vraag bij alle mensen is in feite: Is er ergens een tweede aardewereld waar we, als dat technisch mogelijk zou blijken, naar toe
kunnen reizen, om daar, zonder verdere omslag, als aardemens voort te leven onder daar reeds aanwezige aardemensen, in een
aardegelijkvormig klimaat en in een herkenbaar sociaal- cultureel menselijk verband?
De wetenschap vermag op deze vraag (nog) geen antwoord te geven. Deze publicatie behelst het getuigenis van zo'n tweede aardewereld, en
de stelling dat er ook niet bestaan, beide gelegen in 'onze' Melkweg. Dit alles naar voren gebracht op grond van helderziende ervaringen,
referenties en wetenschappelijk onderzoek. De schrijver begrijpt dat zijn beweringen niet anders dan afkondigend moeten overkomen. Hij
blijft er echter bij. Daarnaast is de lezer natuurlijk geheel vrij in zijn oordeel over het naar voren gebrachte.
Hudi Woga (Utrecht 1942) is publicist en beeldend kunstenaar. Van zijn hand verschenen eerder, onder pseudoniem, een aantal publicaties:
Kitesj, over de Russische graallegende; Thúle, over J.R.R. Tolkiens 'In de Ban van de Ring'; Sheleg, een analyse van het Strader -
hoofdapparaat uit R. Steiners derde mysteriedrama 'De wachter op de Drempel'; De alchemische Bruiloft ontcijferd, over J.V. Andreae's
beroemdste Rozenkruisersgeschrift; en twee omvangrijke poeziebundels: 'Dit' en 'Zeker'.
Colofon
GEA II werd gezet in Garamont en gedrukt door Drukkerij ARTE-PRINT te Brussel op 115 grams Maco mat in pms 287 op verzoek van Uitgeverij
AUREOLUS b.v. te Rotterdam.
De omslagillustratie is van Diane Wormgoor-Gorsira.
De illustraties zijn van de auteur.
De lay-out werd verzorgd door T. Wink.
Redigeeradviezen van Gerard van der Meyden.
Eerste druk 2002, 1000 exemplaren.
ISBN 90-6874-020-2
HUDI WOGA
GEA II
Noties van een unieke tweede aarde en haar mensheid, aan de keerzijde van onze Melkweg.
AUREOLUS B.V., ROTTERDAM
2002
Opgedragen aan mijn zielezuster Diane Gorsira.
Met dank aan Paul Wink voor het grote begrip Diane en mij betoond.
Met dank ook aan Peter de Kok.
De figuurtjes zijn ontleend aan een motief van O. Runge
Inhoud
|
Voorwoord
|
|
11
|
|
I.
|
De engel
Introductievers. 'Levensvoorschouw'; het gesprek met de Engel. Gea II. 'De weg daarheen en weer terug.'
|
13
|
|
II.
|
Arjen
Introductievers. Het jongste broertje Arjen. De zegen van de jong gestorvene (1). Verzen. Autonomie. Slotvers.
|
26
|
|
III.
|
Alja
Introductieverzen. Alja, mijn eerste vrouw. Spiritueel zoeken en vinden. Rozenkruisstromingen. De zegen van de jong
gestorvene (2). Slotvers.
|
36
|
|
IV.
|
De vrienden
Introductievers. Terugkeer van de 'Levensvoorschouw'. De vriendenkring. Een zeer onbekend gebleven uitspraak over Gea II
van de eertijdse grootmeester van het moderne Rozenkruis (Lectorium Rosicrucianum) en hoe ik daar aan kwam.
|
44
|
|
V.
|
Referentie
Referentie aan voornoemde grootmeester. Een (mogelijke) uitspraak over Gea II van Philolaos.
|
51
|
|
VI.
|
Gea II
Droom en visioen. Gea's Zuster. Citaat van Govert Schilling.
|
60
|
|
VII.
|
Adam Kadmon
Introductievers. Korte astrofysische beschouwing. Het C(S)eti-project. De leer van Adam Kadmon, de macrokosmische mens,
oftewel de Levensboom uit de Kabbalah. Spirituele evolutieleer. De 'Grote Restauratie' oftewel de verheffing van de mens
en het Al uit de 'Val'. Adam Kadmon Recidivis. De in Christus unieke mensheid van Gea I. Slotvers.
|
67
|
|
VIII.
|
Adam Kadmon - Tweeling
Introductievers. De nietige mens en de unieke mens. Nietigheid en asymmetrie, uniciteit en symmetrie; wetenschap
(astrofysica) en geesteswetenschap (de leer van Adam Kadmon). 'Ons' melkwegstelsel als het 'baarmoedermelkwegstelsel' van
het Al. Het tweelingprincipe bij de nakomelingen van Adam en bij Adam Kadmon. Gea I én Gea II.
|
79
|
|
IX.
|
Stargate
Introductievers. Roland Emmerichs film 'Stargate' als een 'exacte fantasie' over Gea II.
|
89
|
|
X.
|
Jezus Christus. Homo universalis, Tweevoudig Unicum
De locaties van Gea I en Gea II in onze Melkweg in relatie tot de locatie van Christus' optreden op aarde, in Palestina,
en die van Vitzliputzli in Midden-Amerika. R. Steiner e.a. over Vitzliputzli en Jezus Christus. Het TAO-, het TAOTL- en
het THEOS-mysterie. Lucifer, Ahriman en Sorath. Hermes' Oerwet met betrekking tot enerzijds Jezus Christus en
Vitzliputzli, en anderzijds Gea I en Gea II.
|
94
|
|
XI.
|
Alètheia; vingerwijzing
Introductievers. Samenvatting van het in de vorige hoofdstukken naar voren gebrachte. Een vingerwijzing van Alja voor een
hernieuwd zoeken naar een leven op Gea II.
|
108
|
|
XII.
|
Diane
Introductievers. De wetten van karma en re-incarnatie. Wat gedaan moet worden om te komen tot een incarnatie op Gea II.
Het aanbod van een lotgenoot. Slotverzen.
|
112
|
|
XIII.
|
Hemelvaart
Introductietekst en verzen. Spirituele hemelvaart, fysieke ruimtevaart, fysieke hemelvaart. Fysieke hemelvaart naar Gea
II: Van Atlantische zeevaart naar Arische luchtvaart en vervolgens naar na-Arische ruimtevaart en hemelvaart.
Slotvers.
|
124
|
|
Slotritus
|
|
144
|
|
Woorverklaring
|
|
147
|
|
Literatuur- verwijzing
|
|
157
|
Voorwoord
Bij vrijwel alle mensen leeft de vraag of in ons melkwegstelsel nóg één of meer bewoonde planeetwerelden zijn te vinden. Waarbij dan met
'bewoond' bedoeld wordt: 'bewoond zoals de aarde wordt bewoond,'- bewoond dus door vier levensrijken, een mineraal rijk, een plantaardig
rijk, een dierlijk rijk en, met als kroon daarop, een menselijk rijk; en deze rijken geopenbaard op de ons bekende en vertrouwde wijze:
in aarde, water, lucht en warmte (vuur).
Esoterici stellen zich op het standpunt dat alle werelden, de planetaire- èn de stellaire-, bewoond zijn*, maar dan (vrijwel)
uitzonderingsloos op een wijze ongelijkvormig aan de wijze waarop de aarde is bewoond, op een wijze dus die de burgerman en ook menige
astronoom 'onbewoond' zou noemen. Al die werelden zouden, volgens de esoterici, bewoond zijn op slechts etherisch-astrale niveaus en/of
er zou sprake zijn van een fysieke bewoning in een ander (drie-, resp. vierdimensionaal) stof-ruimte-tijdverband als het onze, dat
gerelateerd is aan voornoemde vier agregaten.
De vraag bij alle mensen is in feite: Is er ergens een tweede aardewereld waar we, als dat technisch mogelijk zou blijken, naar toe
kunnen reizen, om daar, zonder verdere omslag, als aardemens voort te leven onder daar reeds aanwezige aardemensen, in een
aardegelijkvormig klimaat en in een herkenbaar sociaal- cultureel menselijk verband?
De wetenschap vermag op deze vraag (nog) geen antwoord te geven*.
Deze publicatie behelst het getuigenis van zo'n tweede aardewereld, en de stelling dat er ook niet meer dan twee van zulke werelden in
het heelal bestaan, beide gelegen in 'onze' Melkweg. Dit alles naar voren gebracht op grond van helderziende ervaringen, referenties en
wetenschappelijk onderzoek.
De schrijver begrijpt dat zijn beweringen niet anders dan afkondigend moeten overkomen. Hij blijft er echter bij. Daarnaast is de lezer
natuurlijk geheel vrij in zijn oordeel over het naar voren gebrachte**.
I. De engel
Engel
Wij suizen voort,
ongehoord.
We komen terecht
in een droom
meer dan echt.
Hoe sneller wij vallen,
hoe meer we versmallen
tot een streep licht,
een bliksemschicht.
Wij krimpen in
tot een punt
zo verdund
dat het verglimt.
Wij trokken erdoor,
zonder een spoor.
Laat mij na jaren
dan hiervan vertellen.
We spelen op straat, een groep vriendjes, soms kleine vijandjes. De schemer valt indringend. Dan klinkt driftig handgeklap en de stem van
mijn moeder roept: 'Hugo, direct binnenkomen. We eten vanavond vroeg. Vader heeft avondschool.'
Ik draai me met tegenzin om. Alweer vroeg eten? Gisteren ook al.
Maar ik zie niemand. Mijn moeder is er niet. Het huis waar we wonen is er ook niet. De andere huizen zijn er wel. Maar het onze is weg.
Weg, alsof het er nooit is geweest. Badend in het zweet word ik midden in de nacht wakker en lig verstijfd in bed, een jongetje van een
jaar of tien, dat de belevenissen van de afgelopen dag doormaalt. De slaap wil niet meer komen: Vrees houdt mij wakker. De volgende
nachten zal de droom heftiger en heftiger terugkeren. Zo gaat het om de zoveel tijd steeds, jaar in, jaar uit.
De eerstvolgende nacht gaat de droom, vanaf dat mijn moeder in de handen klapt en me roept, als volgt verder:
Zelfs het hele stuk straat waar mijn huis staat is nu verdwenen, opgelost in het niets. Stilte. Dan gaat het waaien.
De derde nacht sta ik na het thuiskomstvermaan van mijn moeder plotsklaps in een steenkoude, verlaten woestijn en tuur naar de horizon.
De wereld is leeg. De lucht om te ademen bestaat uit louter wanhoop. Ik adem wanhoop.
Morgennacht zal ik niet slapen.
De vierde nacht blijf ik in bed rechtop zitten. Aan het voeteneind verschijnt een reusachtige engel, streng, majestueus, en tegelijk vol
liefde en begrip. Hij lacht. De kleuren van zijn gewaad, veel wit met brede diagonale strepen rood, zijn drie keer warmer dan zoals die
kleuren normaal zijn.
Hij kijkt me aan en terstond weet ik me in hem opgenomen. En wat we te zeggen hebben, zeggen we woordenloos, van hart tot hart.
Deze ervaring deed ik op voor mijn geboorte.
We wentelen om de aarde, keer op keer. Met de snelheid van het licht, en tegelijk roerloos. De engel zegt:
'Lang droeg ik je, mensenkind. Nu wordt het tijd dat we afscheid nemen. Je moet geboren worden en een poos alleen verder.'
Hij wijst met een vinger naar beneden. Vuur spat van hem af. Het valt naar de aarde.
Ik zie een land, Zuid-Afrika, een gezin dat ik ergens van ken, één oudere man die ik lief heb, en verder niets. Niets dan voorschouw van
een mislukt leven. En ik gil:
'Nee, hier niet, laat me niet híér los. Het past niet, ik heb hier geen kans.'
We draaien verder, langzamer nu. Weer wijst de engel neerwaarts, terwijl zijn hand vuur werpt. En hij zegt: 'Daal dan hier af.'
Ik zie het zuidwesten van het enorme Russische rijk, zie een aan mij onverwant gezin en een uitgebreide kring kennissen, die onderling
aanhoudend in een strijd zijn verwikkeld. En ik gil:
'Nee, nee, houd me vast. Ik ken daar veel mensen van verre, maar ik deel hun belang niet. Het rijk is in strijd om een ordening die me
niets zegt. Ik zal daar zwaar moeten zondigen.'
De engel bewilligt.
Heel langzaam draaien we weer voort. De engel wijst voor de derde keer omlaag. Bliksem snelt neerwaarts. Hij zegt:
'Hier zul je geboren worden.'
Ik tuur het vuur na en zie een klein land met grote rivierdelta's: Nederland.
Een draaikolk. Daarin ontrolt zich een leven op het scherp van de snede. Ik zal een risee zijn, nauwelijks iets bezittend om te behoeden,
maar wel steeds jaloezie opwekkend om moeiteloos verkregen resten van grote geleerdheid uit een vorig aardeleven, en bedruktheid
uitlokkend voor wat uit die aangewaaide kennis aan magisch vermogen kan voortvloeien.
Kansen te over op een bestaan in de goot, én een kans om tot Christus te komen. Aan het eind van dat leven zie ik me als oude man aan een
tafel zitten vol zelf ontworpen attributen, bij machte om daarmee in het verborgene rituelen te verrichten die een medemens in het
verderf storten, of anderszins groot geluk bezorgen.
De mogelijkheid om in dit leven te slagen lijkt me nihil. En voor de derde maal gil ik:
'Nee, nee, laat me niet vallen. Houd me toch vast.'
De engel kijkt treurig en antwoord:
'Alle mensenkinderen zien er tegenop om op aarde herboren te worden. Maar ze moeten. Zo wil het de God die ik dien. Daal nu af.'
'Nee' roep ik. 'Iedere engel zoekt voor de mens die hij behoedt een lot dat hem past, goed of slecht. Maar wat je me wijst past niet.
Zoek iets dat past.'
De engel duwt me nog niet van zich af, nog niet. Hij antwoordt:
'Mijn zoon, jouw lot is het juist om op aarde geen pasklaar lot te hebben. Daal af.'
Ik grijp de engel beet, verberg mijn hoofd aan, nee, ín zijn hart.
'Nee, ik daal niet af. Zeg me, is er niet een andere aarde, met een lot dat me past?'
De engel slaat zijn vleugels uit. Enorme vleugels.
We draaien van de aarde weg, sneller dan licht, buiten alle tijd om. We reizen tijdloos door de Melkweg, langs en door myriaden werelden,
fel in brand, of juist versinteld. Allen zijn bewoond, maar anders dan de aarde. In andere samenhangen van tijd, ruimte en stof als de
wereld waar ik van stam. Dan zijn we aan de andere kant van de Melkweg. Gezien van waar we vandaan komen aan de achterkant ervan, en even
ver verwijderd van het Melkwegcentrum als de voorkant. In een spiraalarm van sterren even willekeurig als die waaruit we wegreisden.
Ik zie een tweede aarde, iets groter dan de onze, gehuld in een blauwig waas. Ze beschrijft een baan om een gele zon, vrijwel identiek
aan onze zon 'Sol'. Er is ook een maan, beduidend kleiner dan onze maan 'Luna'.
De engel zwijgt, toont me slechts langzaam enkele aanzichten van die tweede aarde, geeft me intuïties waarvan ik besef dat weinig of geen
mensen die bezitten en waarvoor ik als kind nooit enige uitdrukking vond.
De engel onderwijst woordeloos maar indringend, opdat zijn lessen zullen beklijven en ik voorgoed begrijp hoe hij me begunstigt met
uitzonderlijk inzicht.
Zo wordt me getoond dat dít en óns zonnesysteem samen met het Melkwegcentrum op één rechte lijn liggen.
Beide aardes op die lijn horen bij elkaar, ondanks hun enorme onderlinge afstand; ze vormen in het wereldal een specifiek duo, een
tweeling.
Uiterst langzaam draaien de engel en ik om deze tweede aarde.
Ik kijk en kijk en kijk, en tel zeven continenten, van onderscheiden grootte. Ze lopen van noord naar zuid, ongeveer verticaal dus, en ze
hebben alle enigszins de vorm van Japan.
Het meest oostelijke continent is heel klein en minder langgerekt. Daar wonen blanke mensen, flitst het door me heen, alleen daar. Op de
overige continenten wonen mensen met een gele huid, zoals bij ons de Chinezen en Japanners die hebben.
Op die tweede aarde existeren maar twee mensenrassen; mensenrassen met een rode, een bruine, of een zwarte huid zijn er niet*. En van die
twee rassen is er maar één toonaangevend, het gele ras. Dat ras daar heeft een cultuur die te vergelijken is met de eertijdse culturen
van de Chinese Tang- en Mingdynastieën op onze planeet, maar dan aangevuld met elementen van de moderne westerse aardetechnologie. Die
elementen worden daar echter beleefd in een mystiek waas. En vanuit dat vreemde, mystieke waas, en vanuit een sterk intuïtieve logica,
functioneert op die verre aardewereld de techniek van een mensheid die met de onze te vergelijken is, en in haar evolutie min of meer met
die van ons op gelijke hoogte staat.
Ik voel me opgewonden, uitgelaten.
De mensen daar zijn als wij hier. Het zijn geen hogere of lagere elementenwezens met ikbesef, het zijn geen deva's of onderontwikkelde
engelen, wezens van een rang die met die van de mens kan worden vergeleken. Nee, het zijn mensen, mensen van vlees en bloed. Onder hen
hoop ik te kunnen leven. Hier wacht mij een blanco kans.
Ja, ik realiseer me, zij het met de beperkte denkbeelden van een tienjarige, dat als ooit een aards ruimteschip op deze wereld zou
landen, de ruimtereizigers de draad van hun leven er gewoon weer zouden kunnen opnemen.
De zwaartekracht is er 1g . Er is zuurstof in de atmosfeer. Het is een ijzerwereld. Er zijn zeeën, rivieren, bergen en dalen,
uiteenlopende mensvriendelijke klimaten. Er is een herkenbaar dierenrijk, met reptielen, amfibieën, vissen, vogels, zoogdieren, er is een
vertrouwd, divers plantenrijk. Er zijn landen, steden, dorpen met begrijpelijke infrastructuren. Het is een aarde als de onze.
De allochtone ruimtevaarders zouden zelfs gewoon met de autochtone mensen van die verre wereld gemeenschap kunnen hebben en nageslacht
krijgen.
Langzaam maar zeker besef ik echter, zij het vaag, dat zo'n astronautisch contact tussen vertegenwoordigers van deze twee werelden in
geen enkel godsplan besloten ligt, noch op die verre aarde, noch op de onze.
Het komt me voor dat de goddelijke machten beide aardes in de Melkweg met opzet zo ver mogelijk uit elkaar hebben geplaatst. Als het ware
als onderling polaire biologische proefstations - een noordelijk en een zuidelijk station - om een levensgolf in lichamen van vlees en
bloed tot menselijk ikbesef te brengen, en vervolgens op basis van vrijwilligheid te motiveren tot ikloosheid en dienstbetoon aan
anderen. Waarbij voor onze mensheid dit tweevoudige doel wordt nagestreefd door haar individuen wat sterker aan de fysieke materie te
binden, en voor de mensheid van die verre aarde dat gedaan wordt door haar individuen daar wat minder sterk aan te binden. Zo althans
wordt het mij getoond.
Als een korte, maar heftige marteling ervaar ik de kennelijke realiteit dat niet enkel ónze mensheid, maar beíde mensheden die binding
niet aankonden, in zonde vielen vanuit een aanvankelijk paradijselijke situatie, en zich toen zeer egoïstisch evolueerden.
Fysiek-astronautisch contact tussen de twee zo stoffelijk georiënteerde mensheden voelt aan als een synergisme van het boze.
In ieder geval is dit een basisgevoel dat de engel me inprent.
Hij zwijgt zo intens dat het beklemt. We delen nu één bloedsomloop van diep gevoel, waar voor mij snel een kleine kiem van teleurstelling
begint uit te botten: Nergens, maar dan ook nergens zie ik op die aarde aan de andere zijde van onze Melkweg een aanknopingspunt om tot
incarnatie te komen, nergens een lot dat me past. M'n uitgelatenheid sterft weg. Steden zie ik, families, mannen en vrouwen die elkaar
beminnen en mijn ouders zouden kunnen worden, ontelbare generatiegroeven, maar ik kan er niet bij.
Geen mens daar draagt, bewust of onbewust, enige herinnering aan mij, of anderszins ook maar enige voorschouw ván mij, die dienen kunnen
als inhaalkoord.
Zo waait een deur, die ik open wil houden, maar waar ik niet bij kan, een in twijfel gezochte toegang, op de wind van Gods
lotsverordeningen voor mijn neus dicht.
De afstand tussen die andere wereld en mij groeit.
De engel slaat zijn vleugels lang en strak om zichzelf - en dus om mij - heen. Dan vliegt hij terug naar Gea, onze aarde, in
glijvlucht.
We razen buiten alle tijd om door het kokende, fysiek ondoordringbare Melkwegmidden en keren alras weer terug naar waar ik thuis hoor.
We hangen boven Nederland.
Het gezicht van de engel gloeit. Waar kijkt hij naar?
'Daal neer nu, mensenkind', beveelt hij.
'De spatie in je lot, waardoor het niet past, zal ik in de loop van je leven voor een kwart vullen. Je krijgt hulp. En de herinnering aan
mij en aan onze unieke reis in het voorgeboortelijke leven blijven je bij. Maar daal nu neer!' Hij duwt me van zich af en ik val uit zijn
wezen. Vuur spat van zijn hand, vuur dat ik volgen moet.
Dan weet ik niets meer.
Ingekrulde duisternis, met aan het eind een zonsopgang. Ik hervind me, zittend in bed.
|
Opstaan! Aankleden! Ontbijt!
De gewone dingen waarmee de dag begint, kleinigheden die voor een kind lang duren, veel langer dan later, wanneer men
ouder is en veel pijn moet hebben om de tijd nog traag te beleven, geven voldoende respijt om de ervaringen van de nacht
te camoufleren.
Er ligt een slot op mijn mond, gevormd door het spreken over wat anders: 'Ma, vanavond eten we laat, hè? Pa heeft geen
avondschool.'
Het is me niet mogelijk om wie dan ook maar het geringste te vertellen over die andere aarde en de reis met de engel,
daarheen en weer terug. Ik zeg niemand iets, zelfs mijn moeder niet, hoewel ze van verre dingen weet heeft, omdat ze bij
vlagen helderziend is.
Dit verhaal zal echter binnen het raam van haar ervaringen niet zijn in te passen. Haar sensitiviteit betreft burgerlijke
aangelegenheden, het schouwen van vermiste spullen, het voorvoelen van sterfgevallen en dergelijke zaken.
En overigens sluit haar godsbeeld, warm, devoot, maar reformatorisch, de mogelijkheid van het bestaan van een tweede
mensheid geheel en al uit.
Vanzelfsprekend vormt ook de angst om voor idioot te worden versleten een motief om over die andere wereld te zwijgen.
Maar er is meer.
Spreken er over, zo komt me voor, zou indiscreet zijn. Want met wie mag ik verwachten die ervaring te kunnen delen? En
dan nog zó dat het de engel niet kwetst?
|
De daaropvolgende nacht, de vijfde in successie, voel ik me een worm in het hart van een reusachtig stuk hout, een mot midden in een
kluwen wol. Zonder geheugen en verstand zit ik vast in één of ander massief web.
Stroom golft door me heen, louter wanhoop en woede. Stroomstoot na stroomstoot. Ik schuif op. Uit langzame verplaatsing volgt groeiend
besef.
Ik moet voort. Maar waarheen?
Ik moet winnen. Maar van wie?
Ik moet me beheersen. En dan leren heersen. Maar hoe?
Ik moet beminnen, maar ik zit vast.
[...] Einde voorbeeldpagina's [...]