De Alchemische Bruiloft Ontcijferd - Voorbeeldpagina'sEen commentaar op het inwijdingsgeschrift der Rozenkruisers
De alchemische bruiloft ontcijferd
Dank aan de bestuursleden van Stichting Dichtdoor
In het bijzonder dankt de uitgever Gerolf T'Hooft
Distributie: Centraal Boekhuis via Uitgeverij Nas, Tilburg
Uitgeverij Metamorfose Rotterdam 1998. Copyright
Behoudens uitzondering door de Wet gesteld mag zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op het auteursrecht niets uit deze
uitgave worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of anderszins, hetgeen ook van toepassing
is op gehele of gedeeltelijke bewerking. Copyright 1998 Uitgeverij Metamorfose.
ISBN 90-75853-01-7 / Nugi 626 Trefwoord: Rozenkruisers/Gnosis
MUNIN NEDERLANDERDe Alchemische Bruiloft ontcijferdEen commentaar op het inwijdingsgeschrift der Rozenkruisers METAMORFOSE ROTTERDAM 1998 Inhoud
VoorwoordIn de geïllustreerde bundel gedichten en opstellen Aletheia, die ik ter nagedachtenis aan mijn overleden vrouw Alja heb uitgebracht, had ik een opstel met een prent willen opnemen over een fragment uit het geschrift De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis anno 1459, van Johan Valentin Andreae (1586-1654). Mijn vrouw stierf onder het zegel van de roos en het kruis. Daarom leek het mij passend om in het aan haar gewijde gedenkschrift met die opname daaraan uitdrukking te geven. Maar het opstel werd te lang en mijn vrienden raadden mij aan om het uit te werken tot een aparte monografie over Andreae's hoofdwerk. Dat leidde tot de uitgave van deze studie die ik, vanuit zijn oorsprongsgedachte (niet om reden van onderwerp), beschouw als een aan Aletheia parallel geschrift. Samen met Aletheia draag ik dan ook dit geschrift op aan Alja. Iets over het oorspronkelijke, onvoltooid gebleven opstel. Het handelde over de laatste passages van de zogeheten Vijfde Dag van Andreae's bruiloftsverhaal. Daarin is sprake van een ommuurd vierkant eiland, het eiland van Olympus, waarop een toren staat, de toren van Olympus, waarm de feitelijke, uiteindelijke bruiloftshandelmgen worden verricht. Op de achtste en hoogste verdieping van die toren ontwaakte tenslotte het nieuwe, uit de dood opgewekte alchemische koningspaar waar het in het verhaal allemaal om draait. Het alchemische koningspaar is ontstaan uit de alchemische scheppingsmaterie die in twee pasvormpjes werd gegoten. Over de maten van het eiland van Olympus meldt het verhaal niets, maar van zijn omringende muur wordt gezegd dat hij overal 260 schreden dik was. Daar deze mededeling vragen oproept tegenover het gebrek aan informatie over de op voorhand belangrijker te achten maten van het eiland zelf, tekende ik een keer dat eiland uit, met zijn muur als rand er omheen en noteerde her en der op die rand het getal van zijn dikte: 260*. Mij afvragend wat dit kon beduiden en bij gebrek aan een andere inval, schetste ik op het oppervlak van het aldus ommuurde vierkante eiland, niet de toren, maar de genoemde pasvormpjes met het koningspaar, gezien van bovenaf. Als geïnteresseerde in de vrijmetselarij vermocht ik toen vast te stellen dat de ontstane schets zeer sterk leek op een door de Amerikaanse staatsman en vrijmetselaar Benjamin Franklin (1706-1790) ontworpen magische figuur, het zogeheten goedgeordende, schaakbordvormige magische vierkant van zijn naam. Dit vierkant, door mij nader uitgewerkt, siert de omslag van deze publicatie en staat ook afgebeeld op p. 259. In moderne vrij metselaarsstudies en ook in eigentijdse interpretaties van de zeer esoterische kalenderkunde van de eertijdse Midden-Amerikaanse culturen, speelt het een belangrijke rol. Dit komt overeen met de hoofdrol die veel magische vierkanten spelen in de joodse theosofie en het middeleeuwse rozenkruis.
Het magische Benjamin-Franklin-vierkant is een vierkant van 8 x 8 = 64 velden, een aantal velden dat het kwadraat vormt van het achttal verdiepingen van de Olympustoren. In de velden zijn de getallen 1 t/m 64 zo geplaatst, dat de som van alle acht getallen van iedere horizontale rij en verticale kolom - alsook van iedere hier niet verder te duiden gehoekte diagonaal - de waarde 260 oplevert. Die waarde, herhaald om het vierkant heen geschreven - wat om didactische redenen gebruikelijk is -vormt dan precies de 260 schreden brede eilandmuur.
Verbindt men de getallen van dit vierkant, dan ontstaat een geometrisch patroon in de vorm van twee naast elkaar liggende spoelen of
etherstromen, die zich laten interpreteren als het beeld van de twee pasvormpjes, waaruit het alchemische koningspaar opwaakt. Doende hierover meer naar voren te brengen in relatie tot andere fragmenten van De alchemische bruiloft, ontstond aanvankelijk het vermelde onvoltooid gebleven opstel en later, vanuit nieuwe beeldende gezichtspunten, deze publicatie. De inleiding vermeldt vooral aanzichten van de geschiedenis van de esoterische getallentheorie. Het boek vervolgt met een opstel over een tekst uit Johannes 5, het verhaal waarin Jezus Christus in het bad Bethesda een verlamde man geneest. De geschiedenis geldt binnen de leringen van het Rozenkruis en de Antroposofie als de blauwdruk van het reinigings- en genezingsproces, dat de moderne en toekomstige mens-van-goede-wil moet ondergaan, voor hij kan komen tot de ervaringen die in De alchemische bruiloft worden beschreven. Ook dit opstel is geschreven vanuit voornoemde nieuwe beeldende gezichtspunten. De studie vervolgt met een samenvatting van de grondtekst van Andreae's hoofdwerk en een inleidend commentaar. Hoewel deze tekst zelf al uiterst compact is, zijn toch vrijwel alle details ervan in de samenvatting vermeld. Voor een weergave van de integrale grondtekst is om twee redenen niet gekozen. Ten eerste zou zij deze publicatie te omvangrijk maken en bovendien zijn veel vroegere commentatoren al tot zo'n weergave overgegaan. Ten tweede geeft een samenvatting van zo een detailrijke tekst een veel beter overzicht dan de onverkorte versie. Een overzicht dat nodig is om de vele in het commentaar aangelegde kruisverbanden tot hun recht te laten komen. De publicatie is rijk geïllustreerd. Vele complexe situaties verhelderen zich daardoor reeds als vanzelf. Enkele illustraties sierden reeds de grondtekst. De overige prenten, die veelal betrekking hebben op de opstellingen van personen, attributen en ruimten, zijn steeds zo gemaakt, dat die opstellingen maximaal symmetrisch zijn, tenzij de grondtekst anders verklaart. Daarbij zal blijken dat ze uitdrukkingen vormen van belangrijke rekenkundige gegevenheden. De toelichtingen bij de prenten onderstrepen dat. De prenten zijn in de meeste gevallen twee keer weergegeven. Een keer in de samenvatting met inleidend commentaar en een keer in het hoofdcommentaar. Voor de dubbele weergave is bewust gekozen. De keuze knoopt aan bij het gegeven dat in een geesteswetenschappelijke beschouwing de logica wordt gepaard aan de analogie. Met andere woorden: de logische gedachtenontvouwing is gebed in schilderende analogieën die vragen om vergelijking en dus om herhaling. De samenvatting met inleidend commentaar is evenals de grondtekst, geleed in zeven afdelingen, Dagen genaamd, waarin zeven groepen ervaringen culmineren in de Bruiloft waar het om gaat. Op de samenvatting met inleidend commentaar volgt het hoofdcommentaar, eveneens verdeeld in zeven Dagen. Bepaalde door andere publicisten gevolgde verklaringstendensen spelen in dit werk geen hoofdrol. Zo verwijs ik bijvoorbeeld voor bijna alles wat er te zeggen valt over de historische achtergronden van Andreae's publicatie(s) en optreden, in het begin van de zeventiende eeuw, naar het werk van dr. Carlos Gilly, verricht in opdracht van de Bibliotheca Philosophica Hermetica te Amsterdam. Voor een meer antroposofisch getinte verklaring verwijs ik naar het werk van dr. Walter Weber, waarin een opstel van dr. Rudolf Stemer over De alchemische bruiloft is opgenomen. En voor een verklaring van Andreae's hoofdwerk, ten dienste van het Lectonum Rosicrucianum, wijs ik op De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis verklaard door Jan van Rijckenborgh. De onderzoeksresultaten van de onderhavige studie ondersteunen en bevestigen volledig de gnostische strekking van De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis in relatie tot de hierin zo rijkelijk voorkomende rekenkundige aspecten die licht werpen op de morele aspecten en vice versa.Door deze invalshoek sluit deze publicatie meer aan bij de onderzoeksrichting en -resultaten van de filoloog Richard Kienast die hij heeft vastgelegd in zijn werk Johan Valentin Andreae und die vier echten Rosenkreuzer-Schriften. De studie sluit met een samenvatting en epiloog. Mijn dank gaat uit naar de vrienden van Stichting Dichtdoor, die mij bij mijn publicaties altijd terzijde staan, met name naar diegenen van hen die in de colofon worden genoemd. Munin Nederlander, Pinksteren 1998. InleidingDE VAL DER ENGELEN EN HET MENSELIJK HERSTELAlle esoterische tradities* melden hoe zeer veel entiteiten van drie hoge engelenhiërarchieën in hun eertijdse mensheidsontwikkeling tot kwaad vervielen en zich daardoor tenslotte reduceerden tot een geestelijk en psychisch latent, kiemvormig bestaan, zonder persoonlijke uitdrukking; met andere woorden, tot stelsels van microkosmoi met slechts een rand en een kern, en verder leeg. Waarna, volgens die tradities, God een nieuwe mensheid schiep: de onze. Hij schonk toen de leden daarvan geen nieuwe microkosmos, maar implanteerde hen, in de vorm van persoonlijkheidswezens, in de oude, lege microkosmoi, om daarin ziel en geest weer tot leven te wekken. De zo herbelevendigde microkosmoi dienden, met inbegrip van de hen ingevoegde nieuwe menselijke persoonlijkheid, hun opengevallen plaatsen in Gods engelenhiërarchieënladder weer in te nemen. De implantering van de nieuwe persoonlijkheidsmens in de oude, lege geestzielemicrokosmos bleek echter niet zo gemakkelijk. Het implantaat moest natuurlijk eerst groeien en rijpen. Er waren ook afstotingsverschijnselen. Het microkosmische zonde-element deelde zich terstond aan het prille, ontvankelijke implantaat mee, dat daardoor al snel onderworpen raakte aan ziekte en dood - ter vereffening van de zonde-invloed - en aan hergeboorte - om tot zijn taak te komen.
De implantering en wat daarop volgde bleek een echte procesgang, die de taak - namelijk het tot leven wekken van de engelmicrokosmos door de opoffering van de persoonlijkheidsmens - beïnvloedde en kleurde. De taak bleef in wezen gelijk, maar de wijze waarop ze moest worden verricht, veranderde in de loop der tijd, afhankelijk van de steeds hechter wordende band tussen de rijper en rijper wordende persoonlijkheidsmens en de engelmicrokosmos met zijn geestkiem en latente ziel*. In feite onderscheidt men een vervulling van die taak in een voor-christelijke wijze - beschreven in de esoterische tradities van het morgenland, het Verre Oosten en Amerika - en in een na-christelijke wijze - beschreven in de esoterische traditie van het avondland. DE GENEZINGSARBEID DER ROZ ENKRUISERSEen van de opmerkelijkste documenten in laatstgenoemde traditie is het geschrift De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis anno 1459, in 1603 geschreven door Johan Valentin Andreae, op zeventienjarige leeftijd. In 1616 verscheen het werk in druk te Straatsburg. Het vormt een drieluik met twee andere geschriften van zijn hand: De roep der Rozenkruisers Broederschap en De belijdenis der Rozenkruisers Broederschap. Deze werken schreef Andreae na 1603, maar ze werden voor 1616 uitgebracht, in respectievelijk 1614 en 1615. Het drieluik wordt in de kringen waarvoor deze publicatie is bestemd, beschouwd als een specimen van hoe de esoterische traditie van het avondland, op basis van het unieke leven en optreden van Jezus Christus in het begin van onze jaartelling, zowel harmonieert met, alsook verschilt van de esoterische tradities die daaraan voorafgingen.
Het betreft een harmoniering en onderscheiding die is bewerkt (in plaats van vanzelf ontstaan), als bijvoorbeeld een uitdrukking van de tijdgeest door een anonymus die in 1248 in Aquitanië (Zuid-Frankrijk) vanuit de geestelijke wereld de mysterienaam Christiaan Rozenkruis had aangenomen. Deze anonymus - een wederbelichaming van Johannes de Doper en Johannes de Evangelist in één gestalte" - wordt beschouwd als de eerste mens die zijn microkosmos wist te verbinden met zijn menselijke natuur op de wijze waarop Jezus Christus dat, als macrokosmische wezenheid, ruim duizend jaar eerder had voorgedaan. Op de wijze van zijn goddelijke voorganger had hij daarna zijn persoonlijkheid gereinigd en geheeld, en zijn microkosmos hersteld en herbelevendigd. Jezus Christus legde in zijn aardse incarnatie, ten dienste van en als voorbeeld voor alle mensen die Hem zouden willen navolgen, de bedoelde verbinding zo aan, dat het stoffelijke lichaam van de menselijke persoonlijkheid daarbij was inbegrepen. In het daarop volgende herstel van de microkosmos - het tot leven wekken van de geest en de ziel daarin - speelde dat stoflichaam een inclusieve rol. De zielekern van de microkosmos wordt vergeleken met een roos, en de menselijke persoonlijkheid met een kruis. Christus was de eerste en enige God-menselijke rozenkruiser en aldus werd de dubbele Johannesgestalte de eerste puur menselijke rozenkruiser. Vandaar het alias van die gestalte: Christiaan Rozenkruis. C.R.C. EN ZIJN NAVOLGERSVanaf de grondlegging van onze wereld en mensheid reikte de verbinding tussen persoonlijkheid en microkosmos niet verder dan het astrale en etherische lichaam van de mens, dankzij de voorbeeldkrachten van de eertijdse Boeddha's van het morgenland, het Verre Oosten en Amerika. Oeroud zijn deze krachten, en eonen van tijd werkten zij in de mensheid door. Ze spoorden de eertijdse mensen van goede wil aan om de microkosmische geest en ziel te herbelevendigen op basis van die aanvankelijke en beperkte verbinding met de persoonlijkheid. Van die verbinding sprak men eertijds als het drijven van de geestzielekern, als een lotus of een lelie - uit Tao opgewaakt - op de wateren van het astrale en het etherische persoonlijkheidslichaam. Die lichamen werden soms verzinnebeeld door een ankh of T-kruis. Een mens die in navolging van een Boeddha, die verbinding aanlegde en deed wat daaruit voortvloeide, heette net als die Boeddha zelf, een lotusdrager. Overeenkomstig heten mensen die heden Christiaan Rozenkruis navolgen, rozenkruisers*.
DE ALCHEMISCHE BRUILOFT VAN C.R.C.Het geschrift De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis schildert impliciet de eigentijdse verbinding van de microkosmische geest en ziel met de persoonlijkheidsmens. Expliciet schildert het de herbelevendiging van de microkosmische geest en ziel door de persoonlijkheidsmens met op diens stoflichaam betrekking hebbende bijzonderheden, zoals boven alles een rijp zelfbesef, dat slechts door een stoflichaam kan worden ontwikkeld. In 1248 beleefde Christiaan Rozenkruis die bruiloft alléén, in diepe verborgenheid, omringd door twaalf toeziende helpers en in 1459 beleefde hij die bruiloft in het openbaar. De verbinding van geest en zielUit Andreae's geschrift blijkt vóór alles, dat de bruiloft die het beschrijft de uitdrukking vormt van die eigentijdse verbinding en vooral van die zo door bijzonderheden gekenmerkte eigentijdse herbelevendiging. De persoonlijkheidsmens komt bij die herbelevendiging naar voren als voorbereider, mogelijkmaker en getuige. Nooit werd in oudere esoterische geschriften die herbelevendiging zo expliciet in de vorm van een alchemisch huwelijksproces geschetst en nooit werd daarin de rol van de persoonlijkheidsmens zo precies gekarakteriseerd. In slechts enkele oudere literaire geschriften vinden we een voorafschaduwing van dit huwelijksproces. Zoals in Het verhaal van Leila en Madschnun en in Floris ende Blanchefleur. In die werken valt de rol van de persoonlijkheidsmens in de bruiloft op verwarrende wijze samen met die van de geest als bruidegom. Juist hieraan herkent men hun premature karakter*.
De toelichtingen op De alchemische bruiloft van Jan van Rijckenborgh, Rudolf Steiner en Walter Weber diepen de rol van de persoonlijkheid in de bruiloft tussen ziel en geest verder uit. De wetten van getal, maat en gewichtEr blijkt ook nog een ander element in Andreae's hoofdwerk naar voren te treden. Er komen zeer veel getallen en getalpatronen in voor, ontleend aan lastige getallentheorie en kalenderkunde in plaats van aan alchemie. Dit element wekt een verbazing die de onmiskenbaar algemene verbazing over dit werk, veroorzaakt door de discrepantie tussen de serieuze inhoud en de lichte toon van vertellen, nog overstijgt. Deze lichte toon heeft wellicht een sociaal-didactische en humoristische reden. Maar waarom is de geschetste mensentaak, die onbetwist de heiligste taak is waarvoor de mens staat - een uitgesproken morele aangelegenheid derhalve - zo aanhoudend gerelateerd aan lastige, slechts mentaal te vatten getalpatronen. En waarom zijn deze getalpatronen vaak ten dele meegedeeld, zodat de lezer, wil hij ze begrijpen, er nog flink aan moet rekenen? Het antwoord op de tweede vraag is evident. De patronen zijn ten halve meegedeeld, omdat het kennelijk van belang is dat de lezer ze, als zijnde onmisbaar en betekenisvol, intens meebeleeft, wat op geen betere manier kan gelukken dan ze hem afrondingsgewijs te laten narekenen*.
Gezien het voorwoord is het duidelijk dat deze studie in het verlengde van dit narekenen ligt. Het antwoord op de eerste vraag ligt complexer. Het menselijk stoflichaam, dat de persoonlijkheidsmens vervolledigt, is ontstaan uit de stoffelijke natuur en dus onderworpen aan de wetten van die natuur. In de esoterie van het avondland worden die wetten samenvattend genoemd: de wetten van getal, maat en gewicht. In iets uitgebreidere bewoording heten ze respectievelijk: de wetten van de logica en de getallentheorie; de wetten van de geometrische vormingsprincipes; de wetten van de fysica, de chemie en de mechanica, die op het gewichtsaspect van de materie betrekking hebben. Er is niets in de stoffelijke natuur van het Al en dus ook niets in het menselijke stoflichaam - op zich genomen en in verband met dat Al - dat zich buiten deze - deels nog onbegrepen - wetten kan uitdrukken. DE WETTEN VAN HET GETAL ZIJN EEN BRUG TUSSEN GEEST EN STOFDe eerste groep wetten, die van het getal, nemen in het geheel een unieke positie in. Ze hebben iets absoluuts, dat aan de twee andere groepen wetten ontbreekt. Zo is het gewicht van bijvoorbeeld een appel op de maan geringer dan op aarde, en op de zon is het groter, want de aarde heeft ten opzichte van de maan een sterkere zwaartekracht en ten opzichte van de zon een zwakkere. Deze gewichtsverschillen beïnvloeden op hun beurt chemische en mechanische processen. Voorts is in het heelal de som van de hoeken van een driehoek niet altijd 180 graden. Dat gradenaantal is afhankelijk van de kromming van de ruimte, die her en der verschilt en daardoor niet altijd dezelfde geometrische vormingsprincipes laat zien. Daartegenover is overal en te allen tijde in de kosmos bijvoorbeeld 2+3 = 5 en 2x3 = 6: de wetten van het getal zijn absoluut. Dit feit licht op aan het gegeven dat 1+1 aan 2 gelijk is, geheel los van de omstandigheid of dit ervaren wordt aan bijvoorbeeld twee bijeen gebrachte appels. De gelijkstelling geldt evenzogoed als die vruchten of anderssoortige materiële attributen niet present zijn. In feite zien we aan deze en soortgelijke vormen van uitleg dat de wetten van het getal zelf niet stoffelijk zijn en dus ook niet relatief waar, zoals die van maat en gewicht, maar dat ze geestelijk zijn, uit de geestelijke wereld stammen en daardoor absoluut waar zijn. We zien verder dat ze juist daardoor nog sterker dan die maat- en gewichtswetten het stoffelijk bestaan en het stoffelijk mensenlichaam bepalen. Ze bepalen het duurzaam en absoluut. De wetten van het getal vormen in de macrokosmos een verbinding, een brug, van de wereld van de geest naar die van de stof, om hierin de logische blauwdruk te zijn van ieder verstoffelijkingsproces. Stof, zo vat de esoterie bondig samen, is gestolde geest, waarna het stollingsproduct maat en gewicht gaat vertonen. Als summum ontstond zo in de macrokosmos het stoffelijke lichaam van de persoonlijkheidsmens, het lichaam dat bij uitstek nodig is voor het zich langs logische lijnen uitdrukkende persoonlijke zelfbesef. Via die macrokosmische brug, involutief van karakter, functioneert dit stoflichaam tot op de huidige dag. Hieraan parallel vormen de wetten van het getal in de microkosmos van de mens een verbinding, een brug, van diens geestzieleroos naar diens genoemde stoffelijke persoonlijkheidslichaam met zijn kruisvorm, om dat lichaam op omgekeerde wijze en evolutief, door het bijbehorende zelfbewustzijn, tot rede te (laten) brengen, tot de logica van juist gedrag, een logica zo logisch als getallenstructuren en alchemische taakvervulling, waartoe het vanuit de macrokosmos ontstond. Toen de geestzieleroos zich nog als lotus openbaarde, drijvend op de wateren van de ijlere persoonlijkheidslichamen, kon deze verbinding of brug zich in de microkosmos slechts in voorbereidende zin openbaren. Zij voerde toen primair naar het etherische lichaam van de menselijke persoonlijkheid en slechts indirect naar het genoemde stoffelijke lichaam. Met dit alles in samenhang verklaarde Pythagoras in zijn tijd: Het getal is de vader van zowel de (macrokosmische) goden als van de (microkosmische) mensen. Alles is getal. DE RELATIE TUSSEN GETAL EN MORAALOver de hier aangestipte wetten van het getal getuigt de Zieneres van Prevorst. De [niet met letters geassocieerde M.N.] getallen in de wereld, zijn mij heiliger dan woorden [...], maar ik moet, om tot begrip te komen, getal en letter met elkaar verbinden [...]. Voor wat de mens betreft: in hem ontstaan de getallen in de groeve van zijn hart*. Ik zie daar, in die groeve, een cirkel** en in het middelpunt daarvan zit iets dat getallen neerschrijft, met voor mij ook een letterbetekenis. En dat iets is de geest***.
De geest schrijft ze neer, maar de lagere mens doet ze ontstaan. Ze ontstaan in het middelpunt van de cirkel in de hartgroeve; en 'nemen dan plaats' op de cirkelrand [...]. Ik voel en zie dat voor iedere zonde, iedere boze gedachte zelfs, in het innerlijk van de mens aldus een getal wordt gezet. En voor iedere goede gedachte, iedere goede daad, evenzeer [...]. Het innerlijk van de mens noteert in getallen diens morele gezindheid. En als de mens na zijn verscheiden ontwaakt in het licht van de zon te middernacht [dat wil zeggen in de geestelijke wereld M.N.] is zijn getal bepaald. In het licht van het naar voren gebrachte, zal het geen verbazing meer wekken dat in Andreae's hoofdwerk zoveel getallen voorkomen, getallen die in intieme relatie zijn gebracht met de alchemische huwelijksprocessen. Logica en moraliteit horen kennelijk bijeen. En eenmaal op de vele getallen in dat werk attent geworden, valt ook direct op dat ze rekenkundige en kalenderkundige patronen volgen. Nochtans springt een hechte samenhang tussen die ogenschijnlijk zeer uiteenlopende patronen minder snel in het oog. Maar juist zo'n hechte samenhang brengt pas tot in detail de relatie aan het licht tussen getallenlogica en 'de nieuwe eigentijdse alchemische huwelijksmoraliteit'. Aangezien het doel van deze studie eruit bestaat om tot in detail die relatie aan het licht te brengen, moet in deze inleiding die samenhang worden getoond. Deze wordt in feite simpelweg gevormd door de hoofdelementen van de (esoterische) geschiedenis van de getallentheorie bijeen te rapen. DE VERBINDING VAN GETALLENTHEORIE, TAAL EN MUZIEKVan oudsher waren getallentheorie, taal en muziek met elkaar verbonden. De taal zelf laat in vele termen van uiteenlopende talen haar eertijdse verbinding met de logica en de getallentheorie nog duidelijk zien. Zie hiervoor het onderstaande schema met voorbeelden van woorden met een dubbele betekenis, een taalkundige en een getallenkundige.
De verbinding tussen getal, taal en muziek vormt de basis van de vermogens van de oud-Atlantische mensheid: een enorm voorstellingsvermogen en een groot geheugen. Er is hier sprake van een beweging van buiten naar binnen. Er was echter ook sprake van een beweging van binnen naar buiten. Dit uitte zich in magische vermogens, die zich vaag profileerden in elkaar overlappende technieken en ervaringen, zoals levitatietechniek, weerbeheersing, ethermedica en bovenal werkelijke Godsbeleving. Maar ze voerden niet tot de ontwikkeling van de vrije persoonlijkheidsmens die in Gods schepping nodig is, als een nieuw, de microkosmos herstellend element. De eertijdse, veel onvrijere mensheid van Atlantis was in magisch opzicht veel machtiger dan de huidige persoonlijkheidsmens. Maar bij oude, gehandhaafde macht ontstaat niets nieuws en al helemaal niet als die macht ten kwade wordt aangewend, wat in Atlantis veelal het geval was. Iets nieuws ontstaat slechts bij een zekere teloorgang van het oude bestaande, al is dat van nog zo'n bijzondere aard Het oude verdwijnt natuurlijk niet voorgoed, maar tijdelijk, om het nieuwe een kans te geven. Het keert als het nieuwe is volgroeid, op een hoger niveau terug. Zo verdwenen op een zeker moment in de wereldgeschiedenis met het Atlantische mensentype, de oude, op de eenheid van taal, getal en muziek gebaseerde Atlantische vermogens en magie, om de opkomst van de na-Atlantische persoonlijkheidsmens mogelijk te maken. Deze persoonlijkheidsmens ontwikkelde vermogens van strikt mentale aard. Vermogens die derhalve oordeelskracht en dus keuzevrijheid inhouden, waardoor op een nieuwe wijze God kan worden gediend, maar die verder analytisch van karakter zijn en remmend werken op de voorstelling en het geheugen. Derhalve voeren deze vermogens tot anti-magische resultaten. Aldus werd de drie-eenheid van taal, getallentheorie en muziek in een met-magische, mentaal-analytische mensheidsdienst gesteld, waardoor ze uiteenviel in eerst drie en later in vele separate disciplines en vakgebieden. De ontwikkeling en versplitsing van deze disciplines en vakgebieden gaat voort tot op de dag van vandaag en typeert hierdoor de cultuur van de na-Atlantische mensheid. De voortgaande evolutie van disciplines en vakgebieden gaat gepaard met een onbewust heimwee naar het magische eenheidsverband van de Atlantische mensheid én met het verlangen naar een toekomstig magisch eenheidsverband, waarin de verworvenheden en verdiepingsaspecten van de huidige, met-magische cultuur zullen zijn opgenomen. DE GESCHIEDENIS VAN DE NA-ATLANTISCHE GETALLENTHEORIEVanuit deze meervoudige, ambivalente impuls ontwikkelde zich in de vierde na-Atlantische cultuur* - de cultuur van de Griekse en de Semitische volkeren - de getallentheorie. Door een aftakking van het joodse volk naar Midden-Amerika, vond bij de Tolteekse volkerenfamilie -met name bij de Maya's - een parallelle ontwikkeling plaatst**. In die vierde na-Atlantische cultuur kwam de huidige mensheid voor het eerst tot het begin van echt ik-besef en keuzevrijheid. Een besef en een vrijheid die in onze huidige vijfde na-Atlantische cultuur hecht en volledig werden. De eerste drie na-Atlantische culturen: de Indische, de Perzische en de Chaldeeuws-Egyptische, vormden hiertoe slechts de aanzet door enkele van de Atlantische verworvenheden - die dat besef en die vrijheid voorbereidden - in na-Atlantische omstandigheden gemetamorfoseerd paraat te houden. Nochtans kenden die culturen vele cultuurhoogtepunten die de toekomst reeds vooruit namen. Aldus steunt de getallentheorie - die in de Griekse en de Semitische cultuur acceleratief groeide en consistentie verkreeg - op oude Indische, Perzische en Egyptische vindingen. Zo werd enige eeuwen voor Christus in Griekenland -op grond van oude Indische en Perzische filosofie en astronomie - door Aristoteles voor het eerst in de wereldgeschiedenis de logica geformaliseerd.
Door Pythagoras werd een stuk getallentheorie ontwikkeld, gebaseerd op geometrische vormen en in relatie met de muziekleer. Later volgden Euclides en anderen. Hieraan parallel, maar wat later in de geschiedenis, ontwikkelde zich de rekenkunde van de joden en de Arabieren. Deze rekenkunde was van oudsher met taalleer verbonden. Na verloop van enkele eeuwen mondde zij uit in twee stromingen. De joodse kabbalaDe eerste stroming was die van de joodse kabbala, die na lange tijd mondeling te zijn overgeleverd, werd vastgelegd in de Sepher Jezira, de Zohar en de Clavicula Schemamphoras (Salomonische sleutels). Belangrijke vertegenwoordigers zijn Rabbi Ismael ben Elisa en Rabbi Nechunjah Hakana (beiden tweede eeuw na Christus) en na hen Rabbi Salomon. Deze stroming ontwikkelde, op basis van een van oudsher gehandhaafd verband tussen taal en getal, een stelsel van magische vierkanten van het soort dat in het voorwoord werd genoemd. Zij relateerde dat stelsel aan de aloude en bekende kabbahstische levensboom. Over dit stelsel en deze boom meer in het opstel over het bad Bethesda op diverse plaatsen. De werken van genoemde vertegenwoordigers zijn voor de moderne tijd gepopulariseerd weergegeven door bijvoorbeeld Papus en F. Weinreb. Hun inhoud wordt, zoals gezegd, in hoge mate gekenmerkt door het vermelde eertijdse en in de toekomst weer geldige eenheidsverband, dat zo magisch uitwerkt. Lange eeuwen was die inhoud om geschetste redenen buiten beeld. Maar met het oog op toekomstige getallentheoretische ontwikkelingen, die weer magisch georiënteerd zullen zijn, nam de Broederschap van het Rozenkruis de kern van de genoemde werken in haar eigen toekomstgerichte leringen op. Hierover kan men lezen in bijvoorbeeld het geschrift Die sieben Heiligen Grundsaülen der Ewigkeit und Zeit, van Adamah Booz. De Griekse gematriaDe joodse rekenkunde beïnvloedde die van de Grieken. Deze Griekse rekenkunde legde in toenemende mate de nadruk op de reeds in Atlantis erkende verbinding tussen getal en taal. In de eerste eeuwen na Christus ontwikkelde zich naast de Aristotelische logica en de Pythagoreïsche en Euclidische rekenkunde en geometrie de zogeheten Griekse gematria. Daarvan werd de Christelijke kerkvader Clementinus van Alexandrië (tweede eeuw AD) de belangrijkste vertegenwoordiger. Achteraf bezien kan worden vastgesteld dat in deze Griekse rekenkunde getracht werd om - analoog aan het stelsel van magische vierkanten van de kabbala - een stelsel van magische zeshoeken te ontwikkelen, in de vorm van symmetrische stukken honingraat van onderscheiden grootte, die metakubussen werden genoemd en gerelateerd werden aan gnostieke namen en termen: bijvoorbeeld aan de naam Jezus Christus of de term het ene Mariawezen. Tot de ontwikkeling van zo'n stelsel van magische zeshoeken kwam het niet, want de daarvoor benodigde wiskunde was nog met in de Pythagoreïsche en Euclidische scholen ontwikkeld (hierover meer in het opstel over het bad van Bethesda). De leringen van de Griekse gematria en met name die van Clementinus van Alexandrië zijn hernieuwd en gepopulariseerd aan het licht gebracht door de Anglicaanse bisschop Simcox Lea en de architect en vermoedelijke vrijmetselaar Bligh Bond. De Arabische algebraDe tweede stroming waarin de oude joodse en Arabische rekenkunde uitmondde, was die van de voorlopers van de algebra en de moderne getallentheorie, vertegenwoordigd door de islamitische wiskundigen uit Perzië en Arabië. Vanuit Gondisjapur en Bagdad werden van de zevende tot en met de dertiende eeuw de leringen van Aristoteles, Pythagoras, Euclides en anderen verder ontwikkeld en naar Europa uitgedragen door bijvoorbeeld Thabit Ibn Qurra (836-901) en Bhaskara (1114-1185). De moderne wiskundeDe moderne wiskunde ontwikkelde zich in het Europa van de zestiende en zeventiende eeuw. Deze baseerde zich op de wiskunde uit de Europese kloosterscholen, die hun kennis uit het Oosten hadden gehaald. Een aantal belangrijke grondleggers van de moderne wiskunde zijn: Johannes Keppler (1571-1630), een vriend van Andreae, Marin de Mersenne (1588-1648) en Pierre de Fermat (1601-1665), Blaise Pascal (1622-1662) en Leonard Euler (1707-1783). Aspecten van enkele van hun studies, of van oude voorlopers daarvan, blijken in De alchemische bruiloft te zijn opgenomen hoewel altijd verpakt in een vergelijking en ten halve meegedeeld. (Zie het commentaar op de Derde Bruiloftsdag.) De Midden-Amerikaanse getallenleer en kalenderkundeBij de Midden-Amerikaanse volkeren vonden van ca. 500 v. Chr. tot 1400 na Chr. soortgelijke getallentheoretische ontwikkelingen plaats van zowel getallenmagisch als strikt logisch karakter. Zij het dat die ontwikkelingen voortdurend en obsessief waren gerelateerd aan een unieke, complexe kalenderkunde die de rest van de wereld niet kende* Zelfs de Chaldeeën en de Egyptenaren beschikten niet over een kalenderkunde die een vergelijking met die van de Tolteken en de Maya's kon doorstaan. Zelfs onze moderne cultuur beschikt daar niet over. Deze kalenderkunde resulteerde in de constructie en toepassing met unieke rekenkundige middelen** van de Tzolkin: de pnesterkalender van 260 dagen van de Maya's en de Tolteken. Een aantal dagen gelijk aan het aantal schreden van de dikte van de muur van het eiland van Olympus (waarvan sprake was in het voorwoord en waarover nog veel naar voren zal worden gebracht). Tot zover de schets van de geschiedenis van de (esoterische) getallentheorie, waarvan de opgesomde hoofdelementen de ogenschijnlijk nogal uiteenlopende getallenpatronen in Andreae's bruiloftsverhaal in een totaalsamenhang plaatst. In een samenhang met de kenmerken van de geschiedenis der getallentheorie: strikte rekenkundige rationaliteit, soms met en soms wel in relatie met getallenmagie. Het betreft een samenhang die, zoals werd aangestipt, de loper uitlegt om in deze studie tot in detail het verband aan te tonen tussen die mentaal georiënteerde getallentheorie en de eigentijdse alchemische huwelijksmoraliteit. We zullen zien hoezeer de onbetwistbaarheid, die zo'n theorie en haar elementen van nature eigen is, voor die huwelijksmoraliteit de sterkste pleitbezorgster is. Meer dan die pleitbezorging is, dat we zullen zien hoezeer die getallentheoretische elementen in Andreae's verhaal utdrukking geven aan de geciteerde woorden van de Zieneres van Prevorst en onze opmerkingen die aan dat citaat vooraf gingen (p. 26 e.v.).
[...] Einde voorbeeldpagina's [...] |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||